<?xml version="1.0"?>
<feed xmlns="http://www.w3.org/2005/Atom" xml:lang="nl">
	<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/api.php?action=feedcontributions&amp;feedformat=atom&amp;user=Jacqueline</id>
	<title>encyclopedie van zeeland - Gebruikersbijdragen [nl]</title>
	<link rel="self" type="application/atom+xml" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/api.php?action=feedcontributions&amp;feedformat=atom&amp;user=Jacqueline"/>
	<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/Speciaal:Bijdragen/Jacqueline"/>
	<updated>2026-05-06T01:50:07Z</updated>
	<subtitle>Gebruikersbijdragen</subtitle>
	<generator>MediaWiki 1.45.1</generator>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Heinkenszand_(heinkijnssanc,_Heinkijnssant,_Heynckenssant_E.a.)/EvZ1982-1984&amp;diff=120870</id>
		<title>Heinkenszand (heinkijnssanc, Heinkijnssant, Heynckenssant E.a.)/EvZ1982-1984</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Heinkenszand_(heinkijnssanc,_Heinkijnssant,_Heynckenssant_E.a.)/EvZ1982-1984&amp;diff=120870"/>
		<updated>2025-09-22T07:59:28Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;Dorp binnen de nieuwe gemeente Borsele en bestuurscentrum daarvan; vóór de gemeentelijke herindeling op 1 januari 1970 een zelfstandige gemeente in Zuid-Beveland, waarin de buurtschappen Oudelande, Rietsebosschen en &#039;t Vlaandertje; 1845 inw. (1971); kern Heinkenszand 3907 inw. (1980). Heinkenszand is ontstaan door bedijking van een opwas in het schorrengebied tussen Walcheren en Zuid-Beveland in de tweede helft van de 14e eeuw het is een tijdlang een eiland geweest.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Wapen: De geschiedenis van dit wapen is erg onduidelijk. Op de wapenkaart van Smallegange vinden we een gouden schild niet een rode haan op een groene heuvel. De avondmaalsbekers in de Hervormde kerk vertonen een soort eend. De wapenbevestiging van 31 juli 1817 spreekt van een &#039;vogel&#039;, die ook niet al te duidelijk werd afgebeeld, maar sindsdien is het steeds een blauwe reiger geweest. Het meest waarschijnlijk is het, dat het de bedoeling was een zaagbekeend uit te beelden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Varia: Kermis in Heinkenszand op zaterdag en daarop volgende maandag, volgende op de tweede dinsdag na St.-Jan (24 juni). Er is een schutterssociëteit met een -concours op de kermisdagen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Monumenten: Het kerkgebouw uit de 14e eeuw, Voorzien van een oxaal, werd in 1843 gesloopt en vervangen door een N.H. waterstaatskerkje. In de kerk is een door Johannes Camhout (1737-1797) in Lodewijk XVIe stijl vervaardigd grafmonument voor Johanna van Dishoek (overleden 1766) en mr. Isaac Hurgronje (overleden 1776); voorts van een onbekende beeldhouwer, het grafmonument (uit 1719) voor de ambachtsheer Corneille de Perponcher Sedlnizky (overleden 1733). Het orgel uit 1788, in 1911 aangekocht, is van Nisse afkomstig. Beide korenmolens zijn ronde stenen bovenkruiers met schuin geschoorde stellingen: &#039;De Hoop&#039; uit 1850, de andere uit 1851. Op de plaats van de oude ridderhofstede Barbestein, bewoond door de Heren van Schengen, werd later een buitenplaats Barbestein gebouwd. Nu staat hier de R.K. Blasiuskerk. Van de tweede ridderhofstede, Watervliet (einde 18e eeuw afgebroken) is nog een deel bewaard gebleven in het huidige landgoed &#039;Landlust&#039;, nu natuurreservaat van de Stichting Het Zeeuwse Landschap; oppervlakte 4 ha. In 1977 zijn bij Watervliet tijdens bodemwerkzaamheden veel voorwerpen gevonden uit de hoogtijdagen van de buitenplaats, omstreeks 1660-1670.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Geschiedenis: De eerste maal dat Heinkenszand in de teksten voorkomt, is in een oorkonde uit 1351, waarbij de graaf het ambacht van wijlen Dirk Danielsz. Verkoopt aan Jan Arend Dirksz. van &#039;s-Heer Arendskerke. Een kapel wordt vermeld in 1405 en deze werd in 1456 tot parochiekerk verheven. Ze was naar alle waarschijnlijkheid een dochter van die van &#039;s-Heer Arendskerke. De kerk was aan St.-Blasius gewijd; er was een vicarie gefundeerd voor alle heiligen. In de 19e eeuw is de oude kerk afgebroken en op haar plaats is de tegenwoordige Hervormde kerk verrezen. Reeds in 1579 plaatste de classis in Heinkenszand als predikant Galenus of Gheleijn van Oost, die uit Vlaanderen was geleend en in 1580 daarheen terugging Met de Reformatie ging het niet vlot. Eer het 1600 was, had deze gemeente reeds zes predikanten gekend. Verscheidene malen ging er een klacht naar Gecommitteerde Raden van Zeeland en naar de rentmeester Bewesten Schelde. De moeilijkheden scholen vooral in het feit dat de ambachtsheren rooms katholiek waren gebleven. In 1836 werd hier een, later ontbonden, Chr. afgescheiden gemeente gevestigd. In 1869 kwam er een Chr. Geref. kerk die in 1892 tot Geref. kerk werd.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Economie: Heinkenszand ligt in een landbouwstreek. Er is enige industrie, o.a. een timmerfabriek en constructiewerkplaatsen van landbouwwerktuigen, kooiwielen en zonweringen.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
*Chavannes, Oude Zeeuwse kerken. &lt;br /&gt;
*C. Dekker. Zuid-Beveland, 230. &lt;br /&gt;
*Ab Utrecht Dresselhuis, Wandelingen. &lt;br /&gt;
*Grijpink, Register op de parochiën. &lt;br /&gt;
*J.H. Kluiver, Historische orgels t972/3, 88-89. &lt;br /&gt;
*De Ruiter, Heinkenszand. &lt;br /&gt;
*A. de Smit, Gereformeerde kerk Borssele. &lt;br /&gt;
*Zelandia Illustrata III X, 99-104. &lt;br /&gt;
*Van den Berse,Waiervliet.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-Hulsbergen, Borghout, J.A. Trimpe Burger&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Afbeelding==&lt;br /&gt;
Overzichtskaart gemeente Heinkenszand. Heinkenszand eind 18e eeuw; tekening J. Buithuis. De Kerkdreef naar de r.k. Blasiuskerk te Heinkenszand, gebouwd op de plaats van de voormalige ridderhofstede Barbestein (foto uit 1972). N.H. Kerk te Heinkenszand in Waterstaatsstijl (foto uit 1972).&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schelpen&amp;diff=104797</id>
		<title>Schelpen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schelpen&amp;diff=104797"/>
		<updated>2024-07-29T08:20:24Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Schelpen&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Schelpen ==&lt;br /&gt;
* [[Weekdieren]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-V.d. Feen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schelpen&amp;diff=104796</id>
		<title>Schelpen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schelpen&amp;diff=104796"/>
		<updated>2024-07-29T08:20:01Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: Nieuwe pagina aangemaakt met &amp;#039;{{Infobox  | above      = Schelpen }}  ==Schelpen == * [Weekdieren]  ==Auteur== -V.d. Feen  category:Fauna&amp;#039;&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Schelpen&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Schelpen ==&lt;br /&gt;
* [Weekdieren]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-V.d. Feen&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104795</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104795"/>
		<updated>2024-07-29T08:11:00Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen80.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: Beeldbank Zeeland reccord: 2535  [https://digitaal.dezb.nl/beeldbank/detail/4d600c3a-97d0-11e3-9b21-6bc18dfa56b8/media/91a78f81-a489-5318-dc09-9b013e2d9bca ]]]&lt;br /&gt;
==Schapen (Ovis aries)==&lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten.&lt;br /&gt;
===Mest===&lt;br /&gt;
Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapenmest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan bij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapenmest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren graag de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. &lt;br /&gt;
===Schapen op de zeedijk===&lt;br /&gt;
Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. &lt;br /&gt;
===Schapen onkruidverwijderen===&lt;br /&gt;
Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid en laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. &lt;br /&gt;
===Schapen rassen===&lt;br /&gt;
Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sinds 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
===Vleesproductie===&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
===Wolhandel en verwerking===&lt;br /&gt;
Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen=== &lt;br /&gt;
Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. In het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. &lt;br /&gt;
===Recept schapenkaas===&lt;br /&gt;
Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapenkaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen===&lt;br /&gt;
De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
===Schapenstamboek=== &lt;br /&gt;
In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. Het gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
===Omvang schapenhouderij=== &lt;br /&gt;
Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; vervolgens maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is nu vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
===Wol afzet=== &lt;br /&gt;
De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel. De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. De rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
===Wol haven===&lt;br /&gt;
Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Tegenwoordig (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
* G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. [https://iguana.zebi.nl/iguana/www.main.cls?surl=catalogus#recordid=036130907&amp;amp;Index=Indexppn]&lt;br /&gt;
* Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. &lt;br /&gt;
* Bats, Schapenfokkerij. &lt;br /&gt;
* Van Dijk, Eén schaap, 18-24. &lt;br /&gt;
* Lantinga, Het Zeeuwse melkschaap. [https://iguana.zebi.nl/iguana/www.main.cls?surl=catalogus#recordid=853083959&amp;amp;Index=Indexppn]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:landbouw]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104794</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104794"/>
		<updated>2024-07-29T07:57:38Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen80.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: Beeldbank Zeeland reccord: 2535  [https://digitaal.dezb.nl/beeldbank/detail/4d600c3a-97d0-11e3-9b21-6bc18dfa56b8/media/91a78f81-a489-5318-dc09-9b013e2d9bca ]]]&lt;br /&gt;
==Schapen (Ovis aries)==&lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten.&lt;br /&gt;
===Mest===&lt;br /&gt;
Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapenmest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan bij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapenmest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren graag de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. &lt;br /&gt;
===Schapen op de zeedijk===&lt;br /&gt;
Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. &lt;br /&gt;
===Schapen onkruidverwijderen===&lt;br /&gt;
Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid en laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. &lt;br /&gt;
===Schapen rassen===&lt;br /&gt;
Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sinds 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
===Vleesproductie===&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
===Wolhandel en verwerking===&lt;br /&gt;
Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen=== &lt;br /&gt;
Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. In het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. &lt;br /&gt;
===Recept schapenkaas===&lt;br /&gt;
Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapenkaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen===&lt;br /&gt;
De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
===Schapenstamboek=== &lt;br /&gt;
In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. Het gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
===Omvang schapenhouderij=== &lt;br /&gt;
Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; vervolgens maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is nu vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
===Wol afzet=== &lt;br /&gt;
De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel. De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. De rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
===Wol haven===&lt;br /&gt;
Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Tegenwoordig (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
* G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. [https://iguana.zebi.nl/iguana/www.main.cls?surl=catalogus#recordid=036130907&amp;amp;Index=Indexppn]&lt;br /&gt;
* Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. &lt;br /&gt;
* Bats, Schapenfokkerij. &lt;br /&gt;
* Van Dijk, Eén schaap, 18-24. &lt;br /&gt;
* Lantinga, Schapen houden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:landbouw]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104793</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104793"/>
		<updated>2024-07-29T07:46:59Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen80.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: Beeldbank Zeeland reccord: 2535  [https://digitaal.dezb.nl/beeldbank/detail/4d600c3a-97d0-11e3-9b21-6bc18dfa56b8/media/91a78f81-a489-5318-dc09-9b013e2d9bca ]]]&lt;br /&gt;
==Schapen (Ovis aries)==&lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten.&lt;br /&gt;
===Mest===&lt;br /&gt;
Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapenmest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan bij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapenmest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren graag de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. &lt;br /&gt;
===Schapen op de zeedijk===&lt;br /&gt;
Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. &lt;br /&gt;
===Schapen onkruidverwijderen===&lt;br /&gt;
Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid en laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. &lt;br /&gt;
===Schapen rassen===&lt;br /&gt;
Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sinds 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
===Vleesproductie===&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
===Wolhandel en verwerking===&lt;br /&gt;
Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen=== &lt;br /&gt;
Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. In het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. &lt;br /&gt;
===Recept schapenkaas===&lt;br /&gt;
Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapenkaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen===&lt;br /&gt;
De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
===Schapenstamboek=== &lt;br /&gt;
In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. Het gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
===Omvang schapenhouderij=== &lt;br /&gt;
Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; vervolgens maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is nu vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
===Wol afzet=== &lt;br /&gt;
De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel. De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. De rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
===Wol haven===&lt;br /&gt;
Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Tegenwoordig (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
* G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. &lt;br /&gt;
* Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. &lt;br /&gt;
* Bats, Schapenfokkerij. &lt;br /&gt;
* Van Dijk, Eén schaap, 18-24. &lt;br /&gt;
* Lantinga, Schapen houden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:landbouw]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Bestand:Schapen80.jpg&amp;diff=104792</id>
		<title>Bestand:Schapen80.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Bestand:Schapen80.jpg&amp;diff=104792"/>
		<updated>2024-07-29T07:40:11Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104791</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104791"/>
		<updated>2024-07-29T07:38:48Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen80.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: Beeldbank Zeeland reccord: 2535  [https://digitaal.dezb.nl/beeldbank/detail/4d600c3a-97d0-11e3-9b21-6bc18dfa56b8/media/91a78f81-a489-5318-dc09-9b013e2d9bca ]]]&lt;br /&gt;
==Schapen (Ovis aries)==&lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten.&lt;br /&gt;
===Mest===&lt;br /&gt;
Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapenmest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan bij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapenmest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren graag de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. &lt;br /&gt;
===Schapen op de zeedijk===&lt;br /&gt;
Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. &lt;br /&gt;
===Schapen onkruidverwijderen===&lt;br /&gt;
Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid en laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. &lt;br /&gt;
===Schapen rassen===&lt;br /&gt;
Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sinds 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
===Vleesproductie===&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
===Wolhandel en verwerking===&lt;br /&gt;
Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen=== &lt;br /&gt;
Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. In het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. &lt;br /&gt;
===Recept schapenkaas===&lt;br /&gt;
Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapenkaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen===&lt;br /&gt;
De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
===Schapenstamboek=== &lt;br /&gt;
In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. Het gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
===Omvang schapenhouderij=== &lt;br /&gt;
Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; vervolgens maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is nu vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
===Wol afzet=== &lt;br /&gt;
De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel. De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. De rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
===Wol haven===&lt;br /&gt;
Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Tegenwoordig (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
-G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. &lt;br /&gt;
-Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. &lt;br /&gt;
-Bats, Schapenfokkerij. &lt;br /&gt;
-Van Dijk, Eén schaap, 18-24. &lt;br /&gt;
-Lantinga, Schapen houden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:landbouw]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104790</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104790"/>
		<updated>2024-07-29T07:22:37Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen80.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: ]]&lt;br /&gt;
==Schapen (Ovis aries)==&lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten.&lt;br /&gt;
===Mest===&lt;br /&gt;
Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapenmest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan bij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapenmest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren graag de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. &lt;br /&gt;
===Schapen op de zeedijk===&lt;br /&gt;
Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. &lt;br /&gt;
===Schapen onkruidverwijderen===&lt;br /&gt;
Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid en laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. &lt;br /&gt;
===Schapen rassen===&lt;br /&gt;
Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sinds 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
===Vleesproductie===&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
===Wolhandel en verwerking===&lt;br /&gt;
Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen=== &lt;br /&gt;
Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. In het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. &lt;br /&gt;
===Recept schapenkaas===&lt;br /&gt;
Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapenkaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen===&lt;br /&gt;
De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
===Schapenstamboek=== &lt;br /&gt;
In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. Het gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
===Omvang schapenhouderij=== &lt;br /&gt;
Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; vervolgens maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is nu vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
===Wol afzet=== &lt;br /&gt;
De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel. De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. De rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
===Wol haven===&lt;br /&gt;
Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Tegenwoordig (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
-G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. &lt;br /&gt;
-Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. &lt;br /&gt;
-Bats, Schapenfokkerij. &lt;br /&gt;
-Van Dijk, Eén schaap, 18-24. &lt;br /&gt;
-Lantinga, Schapen houden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:landbouw]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104789</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104789"/>
		<updated>2024-07-29T07:20:45Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen80.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: ]]&lt;br /&gt;
==Schapen (Ovis aries)==&lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten.&lt;br /&gt;
===Mest===&lt;br /&gt;
Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapenmest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan bij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapenmest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren graag de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. &lt;br /&gt;
===Schapen op de zeedijk===&lt;br /&gt;
Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. &lt;br /&gt;
===Schapen onkruidverwijderen===&lt;br /&gt;
Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid en laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. &lt;br /&gt;
===Schapen rassen===&lt;br /&gt;
Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sinds 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
===Vleesproductie===&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
===Wolhandel en verwerking===&lt;br /&gt;
Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen=== &lt;br /&gt;
Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. In het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. &lt;br /&gt;
===Recept schapenkaas===&lt;br /&gt;
Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapenkaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen===&lt;br /&gt;
De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
===Schapenstamboek=== &lt;br /&gt;
In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. Het gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
===Omvang schapenhouderij=== &lt;br /&gt;
Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; vervolgens maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is nu vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
===Wol afzet=== &lt;br /&gt;
De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel. De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. De rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
===Wol haven===&lt;br /&gt;
Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Tegenwoordig (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
LITERATUUR&lt;br /&gt;
-G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. &lt;br /&gt;
-Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. &lt;br /&gt;
-Bats, Schapenfokkerij. &lt;br /&gt;
-Van Dijk, Eén schaap, 18-24. &lt;br /&gt;
-Lantinga, Schapen houden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104788</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104788"/>
		<updated>2024-07-29T07:19:13Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen80.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: ]]&lt;br /&gt;
==Schapen (Ovis aries)==&lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten.&lt;br /&gt;
===Mest===&lt;br /&gt;
Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapenmest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan bij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapenmest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren graag de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. &lt;br /&gt;
===Schapen op de zeedijk===&lt;br /&gt;
Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. &lt;br /&gt;
===Schapen onkruidverwijderen===&lt;br /&gt;
Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid en laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. &lt;br /&gt;
===Schapen rassen===&lt;br /&gt;
Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sinds 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
===Vleesproductie===&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
===Wolhandel en verwerking===&lt;br /&gt;
Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen=== &lt;br /&gt;
Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. In het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. &lt;br /&gt;
===Recept schapenkaas===&lt;br /&gt;
Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapenkaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. &lt;br /&gt;
===Zeeuwse melkschapen===&lt;br /&gt;
De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
===Schapenstamboek=== &lt;br /&gt;
In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. Het gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
===Omvang schapenhouderij=== &lt;br /&gt;
Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; vervolgens maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is nu vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
===Wolafzet=== &lt;br /&gt;
De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel. De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. De rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
===Wolhaven===&lt;br /&gt;
Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Tegenwoordig (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
AUTEUR&lt;br /&gt;
Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
LITERATUUR&lt;br /&gt;
G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. Bats, Schapenfokkerij. Van Dijk, Eén schaap, 18-24. Lantinga, Schapen houden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104787</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104787"/>
		<updated>2024-07-29T07:01:06Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen80.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: ]]&lt;br /&gt;
==Schapen (Ovis aries)==&lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten.&lt;br /&gt;
===Mest===&lt;br /&gt;
Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapenmest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan bij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapenmest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren graag de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. &lt;br /&gt;
===Schapen op de zeedijk===&lt;br /&gt;
Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. &lt;br /&gt;
===Schapen onkruidverwijderen===&lt;br /&gt;
Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid en laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. &lt;br /&gt;
===Schapen rassen===&lt;br /&gt;
Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sinds 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
===Vleesproductie===&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
Wolhandel en verwerking. Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
Zeeuwse melkschapen. Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. in het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapekaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
Schapenstamboek. In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal I Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. 1 let gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
Omvang schapenhouderij. Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; voorts maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, overweg end gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is thans vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
Wolafzet. De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel Papegaaistraat 13). De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. de rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
Wolhaven. Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Thans (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. Zie kleurenplaat II: tegenover pag. 33.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
AUTEUR&lt;br /&gt;
Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
LITERATUUR&lt;br /&gt;
G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. Bats, Schapenfokkerij. Van Dijk, Eén schaap, 18-24. Lantinga, Schapen houden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104786</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104786"/>
		<updated>2024-07-29T06:56:57Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen80.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: ]]&lt;br /&gt;
==Schapen (Ovis aries)==&lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten.&lt;br /&gt;
===Mest===&lt;br /&gt;
Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapenmest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan bij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapenmest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren graag de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. &lt;br /&gt;
===Schapen op de zeedijk===&lt;br /&gt;
Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. &lt;br /&gt;
===Schapen onkruidverwijderen===&lt;br /&gt;
Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid doch laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sedert 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
Wolhandel en verwerking. Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
Zeeuwse melkschapen. Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. in het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapekaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
Schapenstamboek. In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal I Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. 1 let gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
Omvang schapenhouderij. Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; voorts maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, overweg end gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is thans vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
Wolafzet. De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel Papegaaistraat 13). De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. de rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
Wolhaven. Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Thans (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. Zie kleurenplaat II: tegenover pag. 33.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
AUTEUR&lt;br /&gt;
Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
LITERATUUR&lt;br /&gt;
G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. Bats, Schapenfokkerij. Van Dijk, Eén schaap, 18-24. Lantinga, Schapen houden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104785</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104785"/>
		<updated>2024-07-29T06:55:08Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen80.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: ]]&lt;br /&gt;
==Schapen (Ovis aries)==&lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten.&lt;br /&gt;
===Mest===&lt;br /&gt;
Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapenmest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan bij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapenmest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren graag de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. &lt;br /&gt;
===Schapen op de zeedijk===&lt;br /&gt;
Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. &lt;br /&gt;
===Schapen als onkruidverdelger===&lt;br /&gt;
Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid doch laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sedert 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
Wolhandel en verwerking. Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
Zeeuwse melkschapen. Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. in het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapekaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
Schapenstamboek. In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal I Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. 1 let gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
Omvang schapenhouderij. Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; voorts maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, overweg end gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is thans vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
Wolafzet. De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel Papegaaistraat 13). De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. de rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
Wolhaven. Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Thans (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. Zie kleurenplaat II: tegenover pag. 33.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
AUTEUR&lt;br /&gt;
Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
LITERATUUR&lt;br /&gt;
G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. Bats, Schapenfokkerij. Van Dijk, Eén schaap, 18-24. Lantinga, Schapen houden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104784</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104784"/>
		<updated>2024-07-29T06:52:52Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen80.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: ]]&lt;br /&gt;
==Schapen (Ovis aries)==&lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten.&lt;br /&gt;
===Mest===&lt;br /&gt;
Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapenmest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan bij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapenmest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren graag de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. &lt;br /&gt;
===Schapen op de zeedijk===&lt;br /&gt;
Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid doch laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sedert 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
Wolhandel en verwerking. Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
Zeeuwse melkschapen. Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. in het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapekaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
Schapenstamboek. In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal I Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. 1 let gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
Omvang schapenhouderij. Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; voorts maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, overweg end gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is thans vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
Wolafzet. De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel Papegaaistraat 13). De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. de rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
Wolhaven. Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Thans (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. Zie kleurenplaat II: tegenover pag. 33.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
AUTEUR&lt;br /&gt;
Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
LITERATUUR&lt;br /&gt;
G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. Bats, Schapenfokkerij. Van Dijk, Eén schaap, 18-24. Lantinga, Schapen houden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104783</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104783"/>
		<updated>2024-07-29T06:46:25Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen80.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: ]]&lt;br /&gt;
SCHAPEN &lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten. Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapemest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan hij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapemest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren gaarne de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid doch laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sedert 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
Wolhandel en verwerking. Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
Zeeuwse melkschapen. Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. in het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapekaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
Schapenstamboek. In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal I Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. 1 let gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
Omvang schapenhouderij. Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; voorts maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, overweg end gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is thans vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
Wolafzet. De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel Papegaaistraat 13). De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. de rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
Wolhaven. Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Thans (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. Zie kleurenplaat II: tegenover pag. 33.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
AUTEUR&lt;br /&gt;
Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
LITERATUUR&lt;br /&gt;
G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. Bats, Schapenfokkerij. Van Dijk, Eén schaap, 18-24. Lantinga, Schapen houden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104782</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104782"/>
		<updated>2024-07-29T06:45:27Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen8.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: ]]&lt;br /&gt;
SCHAPEN &lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten. Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapemest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan hij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapemest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren gaarne de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid doch laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sedert 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
Wolhandel en verwerking. Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
Zeeuwse melkschapen. Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. in het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapekaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
Schapenstamboek. In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal I Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. 1 let gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
Omvang schapenhouderij. Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; voorts maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, overweg end gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is thans vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
Wolafzet. De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel Papegaaistraat 13). De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. de rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
Wolhaven. Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Thans (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. Zie kleurenplaat II: tegenover pag. 33.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
AUTEUR&lt;br /&gt;
Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
LITERATUUR&lt;br /&gt;
G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. Bats, Schapenfokkerij. Van Dijk, Eén schaap, 18-24. Lantinga, Schapen houden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104781</id>
		<title>Schapen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schapen&amp;diff=104781"/>
		<updated>2024-07-29T06:44:52Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: Nieuwe pagina aangemaakt met &amp;#039;{{Infobox  | above      =Schapen  }} Schapen, bron:  SCHAPEN  Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreve...&amp;#039;&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Schapen &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schapen.jpg|thumb|right300px|Schapen, bron: ]]&lt;br /&gt;
SCHAPEN &lt;br /&gt;
Het schaap is als landbouwhuisdier sinds de vroegst geschreven geschiedenis bekend. Wol en mest waren aanvankelijk het voornaamste doel van de schapenhouderij. Schapen werden gehouden waar ze konden weiden: op de schorren. soms ook langs wegen en (zee)dijken vooral in Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Overdag werden de dieren, kuddeschapen, gehoed door een herder met een of meer honden, &#039;s nachts werden ze in kooien opgesloten. Vóór het gebruik van kunstmest was de in de kooien verzamelde mest waardevol voor de akkerbouw. De uitspraak van I.G.J. van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, &#039;Men zal zelden achteruitgang vinden op hofsteden waar schapen worden gehouden&#039; (1850), getuigt van de grote waarde die men toen aan schapemest hechtte voor de akkerbouw en sloot volkomen aan hij zijn in Engeland opgedane ervaring. Hoezeer schapemest werd gewaardeerd blijkt ook uit het feit dat de boeren gaarne de schaapskudde van de stoppelweiderij op hun omheinde mestvaalt lieten overnachten. De herder hoefde dan immers niet helemaal naar de kooi met de kudde. Een bijkomstig gunstig effect van het houden van schapen op zeedijken was dat het gras kort gehouden werd en dat de fijne hoefjes de zode van de dijk steviger en de bovenste grondlaag vaster maakten. waardoor bij eventueel hoogwater de deklaag van de dijk minder gauw werd beschadigd. Ook werden de kudden wel gebruikt voor het bestrijden van onkruid in vlas (schapen eten het onkruid doch laten de jonge vlasplantjes staan). Op graslanden hebben schapen eveneens een gunstige invloed op de kwaliteit van de grasmat. Ze eten bij voorkeur de kruiden en grazen kort. Het hoeden op stoppelvelden en gerooide aardappelvelden heeft bovendien nut omdat opslag van aardappelen in een volgend gewas wordt beperkt: de schapen zoeken de bereikbare knollen en eten ze op. In de winter eten schapen vaak als bijvoer bruinebonenstro. Vanouds werd in Zeeland het Vlaamse of een hieraan verwant schaap gehouden. Dit geharde en sobere ras was geschikt voor het ruwe zeeklimaat: de wolproductie was echter matig. Sedert 1832 werden de Engelse rassen ingevoerd. Vooral de boven aangehaalde Iman van den Bosch stimuleerde de schapenhouderij in sterke mate. De eerste ervaringen waren moedgevend: de kruiselingen gaven een hoger rendement door meer en betere wol. Het nieuw ontstane type werd wel naar Van den Bosch &#039;Imanschaap&#039; genoemd. Vooral met het Lincolnras werden goede resultaten verkregen: dit ras oefende vervolgens een vergaande invloed uit door kruisingen in Zeeuwse kudden. Op enkele bedrijven, onder andere de Wilhelminapolder, fokte men dit ras zuiver voor de afzet van fokrammen. Fokkerijen van en kruisingen met Engelse rassen hebben zich gehandhaafd tot kort voor 1940, zij het in steeds geringer mate.&lt;br /&gt;
Het ontwikkelen in de richting van de vleesproductie heeft ook geleid tot gebruik van Texelse schapen, zowel voor kruisingen als voor de fokkerij van raszuivere schapen. Het Texelse melkschaap. met Engelse rassen gekruist, was niet geschikt voor kudden. Deze dieren zijn onder andere gevoeliger voor de zwoegerziekte, welke vrijwel uitsluitend voorkomt aan de zeekusten (schorren en zeedijken). Het is een longaandoening bij volwassen schapen, die meestal dodelijk is. Deze ziekte, in Zeeland vanouds bij de kudden bekend, wordt veroorzaakt door een virus.&lt;br /&gt;
Wolhandel en verwerking. Tot ongeveer de 18de eeuw was de lakenweverij (weverij van wollen stoffen)) op veel Zeeuwse plaatsen een belangrijke nijverheid. Hiervoor werd inlandse wol gebruikt. alsmede ingevoerde grondstof. Sinds 1551 had Veere de wolstapel van Schotse handelaren voor de Lage Landen: dit recht verviel evenwel in 1799. &lt;br /&gt;
Zeeuwse melkschapen. Sinds onheuglijke tijden kwam naast de kuddeschapen een in verhouding gering aantal Zeeuwse melkschapen voor. in het bijzonder op Walcheren en sommige plaatsen in West Zeeuws-Vlaanderen. Op Walcheren werd de melk gebruikt voor de bereiding van de zogenaamde &#039;natte kaas&#039;. De lammeren werden gespeend op een leeftijd van zes tot acht weken (vroeger jonger), waarna de ooien werden gemolken tot ongeveer oktober. Kort voor 1940 hadden de meeste Walcherse bedrijven één tot vier melkschapen. Als gevolg van de herverkaveling na 1945, de structurele ontmenging van de bedrijven en de toenemende mechanisatie nam nadien het aantal melkschapen snel af. Anno 1984 waren er nog een 150 dieren van dit ras. Op enkele bedrijven wordt nog Walcherse schapekaas gemaakt: aan de verse warme melk van 28 à 30°C wordt per liter vijf  druppels stremsel toegevoegd. Het emmertje of de pan met melk wordt afgedekt en weggezet op een niet te koude plaats om de temperatuurdaling te beperken. Om te stremmen moet de melk 21/2 - 3 uur onberoerd staan, waarna de gestremde massa met een lepel in een kaasvaatje wordt geschept. Dit is een vierkant bakje met een losse bodem, waarin gaatjes van potlooddikte voor het laten weglopen van het vloeibare deel, de wei. Na 24 uur is ze goed ingezakt, de wei is grotendeels uitgetreden en de kaas gereed voor consumptie. Deze z.g. natte kaas is wit van kleur. De Zeeuwse melkschapen hebben een blanke neus en witte hoefjes: het is een zeer vruchtbaar ras, gemiddeld twee tot drie lammeren per worp. De melkproductie bedraagt per jaar 500 à 800 kg met een vetgehalte van 6à 7% en een eiwitgehalte van rond de 6%.&lt;br /&gt;
Schapenstamboek. In 19211 werd de Vereniging tot Verbetering van het Schapenras in Zeeland opgericht. Een productieverbetering langs selectieve weg, gebaseerd op vastgelegde gegevens (stamregisters) van exterieur, wol- en lammerenproductie werd hiermee voorgestaan. De vereniging richtte haar aandacht aanvankelijk speciaal op verbetering van het kuddeschaap. De belangstelling van de kuddehouders was evenwel niet bijzonder groot. Ook werd het Lincoln ras geregistreerd, maar het aantal I Lincoln schapen was zeer gering. Geleidelijk nam de omvang van het aantal schapen af met een verlegging van kuddeschaap naar weideschaap. Voor dit laatste bleek dus de Texelaar uitstekend geschikt, voornamelijk door zijn gunstige aanleg voor vleesproductie. In 1927 werd voor het eerst melding gemaakt van Texelse stam boekschapen in Zeeland: de registratie in het stamhoek werd sinds 1935 uitsluitend gericht op liet Texelse ras, waardoor de belangstelling in korte tijd sterk toenam. liet aantal verenigingsleden bedroeg in 1935 elf, in 1955 meer dan honderd en in 1978 tweehonderd. 1 let gemiddeld aantal schapen per bedrijf neemt toe, binnen het Texelse ras met zwarte neuzen en hoefjes, gaat de selectie op rastype en vleesproductie sterk voort. Gemiddeld wordt 1.8 lam geworpen en vier tot vijf kg wol per jaar geleverd. Kwalitatief is de laatste jaren een enorme vooruitgang geboekt, vooral in exterieureigenschappen. terwijl de verzorging doelmatiger werd. de ziektes bestreden werd den en de voeding werd aangepast. 90% van de inkomsten van de schapenhouder komt van het vlees en men is daarbij geheel afhankelijk van de export naar Frankrijk: amper 10% komt van de wol. Sinds 1956 organiseert de vereniging. Beter bekend als het Zeeuwse Schapenstamboek, jaarlijks een provinciale keuring te Goes; eens per drie jaar wordt een nationale keuring gehouden, waaronder Zeeuwse inzendingen. De laatste 15 jaar wordt jaarlijks een aantal geregistreerde Texelse stamboekschapen uit Zeeland geëxporteerd. Sinds 1948 bestaat hij het Schapenstamboek ook een afdeling voor Zeeuwse melkschapen: deze telde in 1978 twaalf leden met in totaal rond 75 geregistreerde fokdieren.&lt;br /&gt;
Omvang schapenhouderij. Rond 1865 bereikte de omvang van de schapenhouderij zijn hoogtepunt met ca. 40.000 stuks. Door inpoldering van de schorren verdween het graasterrein voor een gedeelte; voorts maakte kunstmest de schapenmest minder noodzakelijk. In 1920 was de schapenstapel dan ook al bijna gehalveerd tot 23.000 stuks, overweg end gehouden in de toen nog aanwezige 100 kudden. Door in verhouding sterk dalende wolprijzen en stijgende loonkosten ging de omvang verder terug. In 1969 waren er nog vier kudden met in totaal ongeveer 1000 dieren. In de periode 1950-1970 nam het aantal schapen per bedrijf toe. In 1978 omvatte de schapenstapel 24.000 stuks op 744 bedrijven. Per bedrijf waren dit gemiddeld 32 stuks. De Nederlandse schapenstapel omvatte in 1978 totaal 850.000 dieren op 22.000 bedrijven; dit is gemiddeld bijna 40 stuks per bedrijf, als regel gehouden als weideschaap, in afgerasterde percelen. Het Texelse ras is thans vrijwel algemeen; 10% van de schapen behoort tot een ander ras of betreft kruiselingen. In 1982 waren er schaapskudden in het Land van Saaftinge en op Zuid-Beveland.&lt;br /&gt;
Wolafzet. De laatste jaren wordt de wol voor meer dan 90% geleverd aan de Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging te Alkmaar, meestal aangeduid als Wolfederatie. De Zeeuwse afdeling, in 1920 opgericht, is gevestigd te Goes en heeft daar sinds 1964 een winkel Papegaaistraat 13). De wol wordt jaarlijks op tien plaatsen in de provincie ingezameld. De Wolfederatie verwerkt een deel van de wol der leden tot dekens en breigarens. de rest wordt verkocht. Dekens, garens en breistukken worden verkocht via een winkelauto, die periodiek in de meeste Zeeuwse dorpen en gehuchten komt. De Zeeuwse afdeling telt momenteel 1.300 leden, onder wie vele niet-schapenhouders.&lt;br /&gt;
Wolhaven. Sinds 1964 is Vlissingen de grootste West-Europese opslaghaven voor wol uit het zuidelijk halfrond, bestemd voor de wol centra in West-Europa. Thans (1982) wordt rond 111 miljoen kg wol op jaarbasis aangevoerd, sinds 1971 ook in containers. Zie kleurenplaat II: tegenover pag. 33.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
AUTEUR&lt;br /&gt;
Lantinga, Dorst, M.A. Geuze&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
LITERATUUR&lt;br /&gt;
G. J. van den Bosch, Veredelde schapenteelt. Buuman, Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw. Bats, Schapenfokkerij. Van Dijk, Eén schaap, 18-24. Lantinga, Schapen houden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schaaldieren&amp;diff=104780</id>
		<title>Schaaldieren</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schaaldieren&amp;diff=104780"/>
		<updated>2024-07-29T06:36:48Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Schaaldieren&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Spinkrab.jpg|thumb|right300px|Spinkrab, bron: https: [//tijdschriftenbankzeeland.nl/issue/zlf/2010-01-01/edition/fz5/page/107 ZB Tijdschriftenbank Zeeland, &#039;&#039;Zeeuws landschap - Fauna Zeelandica&#039;&#039; (1 januari 2010) 103]]]&lt;br /&gt;
==Schaaldieren (Crustacea)==&lt;br /&gt;
Geleedpotige dieren, ademend door kieuwen. Het huidskelet bestaat uit een taaie stof (chitine) veelal versterkt met kalk. In Zeeland komen vertegenwoordigers voor van de volgende groepen: [[garnalen]], [[aasgarnalen]], [[kreeft]] ook bladpoot-, roeipoot-, vlo- en mosselkreeften, [[krabben]], [[eendenmossels]], pissebedden en [[zeepokken]].&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-K.F. Vaas &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
-Hana. Schaaldieren&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Eendenmossels&amp;diff=104779</id>
		<title>Eendenmossels</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Eendenmossels&amp;diff=104779"/>
		<updated>2024-07-29T06:33:16Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Eendenmossels&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Eendenmossels.jpg|thumb|right300px|Eendenmossels, bron: Filippo Fratini, Wikimedia]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Eendenmossels (Lepadidae)==&lt;br /&gt;
Behoren tot de [[Schaaldieren]] en zijn vrij nauw verwant aan de [[Zeepokken]]. Dit blijkt vooral uit de vroegste larvenstadia. Eendenmossels spoelen, vastgehecht aan drijfhout en dergelijke, regelmatig op het strand aan, afkomstig uit het open water van de Noordzee en de Atlantische Oceaan. Er zijn verschillende soorten aan het strand gevonden; de gewoonste is Lépas anaafera. De naam eendenmossels is ontleend aan het oude volksgeloof dat deze dieren de eieren waren van [[ganzen|rotganzen]], waarvan tot voor kort de broedplaatsen in het hoge noorden niet bekend waren. De eendenmossels zouden in &#039;Schotland&#039; en omgeving aan de bomen groeien, na verloop van tijd in zee vallen en uiteindelijk de jonge rotganzen opleveren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-W.J. Wolff&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
Fr. de Graaf, Eendenmossels (1961).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:Schaal- en schelpdieren]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Eendenmossels&amp;diff=104778</id>
		<title>Eendenmossels</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Eendenmossels&amp;diff=104778"/>
		<updated>2024-07-29T06:32:40Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      =Eendenmossels&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Eendenmossels.jpg|thumb|right300px|Eendenmossels, bron: Filippo Fratini, Wikimedia]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Eendenmossels (Lepadidae)==&lt;br /&gt;
Behoren tot de [[Schaaldieren]] en zijn vrij nauw verwant aan de [[Zeepokken]]. Dit blijkt vooral uit de vroegste larvenstadia. Eendenmossels spoelen, vastgehecht aan drijfhout en dergelijke, regelmatig op het strand aan, afkomstig uit het open water van de Noordzee en de Atlantische Oceaan. Er zijn verschillende soorten aan het strand gevonden; de gewoonste is Lépas anaafera. De naam eendenmossels is ontleend aan het oude volksgeloof dat deze dieren de eieren waren van [[ganzen/rotganzen]], waarvan tot voor kort de broedplaatsen in het hoge noorden niet bekend waren. De eendenmossels zouden in &#039;Schotland&#039; en omgeving aan de bomen groeien, na verloop van tijd in zee vallen en uiteindelijk de jonge rotganzen opleveren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-W.J. Wolff&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
Fr. de Graaf, Eendenmossels (1961).&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:Schaal- en schelpdieren]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Kreeft&amp;diff=104467</id>
		<title>Kreeft</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Kreeft&amp;diff=104467"/>
		<updated>2024-06-11T09:27:09Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Kreeft&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Kreeft8.jpg|thumb|right300px|Kreeft, foto: C. de Boer bron: [https://hdl.handle.net/21.12128/0388a7a7-2c5a-88ff-071e-4009bad299c2  ZB Beeldbank Zeeland, recordnr. 148823]]]&lt;br /&gt;
==Kreeft (Astacidea)==&lt;br /&gt;
Behalve in de Oosterschelde en langs de kust van Walcheren komen kreeften langs de Nederlandse kust nauwelijks voor. Kreeften leven in veenbanken en tussen de stenen van zinkstukken in gedeeltelijk zelf gegraven holen, gebruikmakend van de natuurlijke terreinomstandigheden. &lt;br /&gt;
===Groei fasen===&lt;br /&gt;
De vrouwelijke exemplaren dragen de eieren tussen de poten, onderaan het achterlijf. Na het loslaten van de eieren komen de kreeftenlarven uit, die dan vrij in het water bewegen; ze vormen een bestanddeel van het dierlijke plankton. Onder het plankton worden de kleinste plantaardige en dierlijke organismen begrepen, die zonder noemenswaardige eigen beweging in het water zweven. Slechts weinig larven overleven dit stadium. Gedurende de groei maakt de kreeft verschillende fasen door. Het weke lichaam binnen het harde pantser groeit zolang tot het pantser over een kleine lengte overlangs openscheurt en het weke dier eruit kruipt. Na enige uren is het lichaam opgezwollen tot de nieuwe grootte. Gedurende enkele weken daarna, waarin zich weer een nieuw pantser vormt, houdt het dier zich schuil, omdat het dan vrij kwetsbaar is. Na ongeveer tien jaren kan de kreeft groot genoeg zijn om de interesse van de kreeftenvisser op te wekken. &lt;br /&gt;
===Kreeft visserij===&lt;br /&gt;
Voor zover bekend werden pas aan het eind van de 19e eeuw in de Zeeuwse wateren kreeften gevangen. De vangst was opengesteld van 1 april tot half juli. Te kleine exemplaren en wijfjes met eieren moesten worden teruggezet. De vangst vond plaats in kreeftekorven, een soort fuiken van metaalgaas, waarin aas (dode vis, inktvis) werd gelegd. Deze visserij bleef in vergelijking met die van mosselen en oesters steeds van geringe omvang. In de jaren &#039;20 werd een hoogtepunt bereikt. Vóór de strenge winter van 1962/63, waarin een groot deel van de kreeften omkwam, was het voor een twintigtal vissers een lonend bedrijf; de vangst bedroeg enkele duizenden kilo&#039;s. Daarna werd de kreeft vrij zeldzaam in de Oosterschelde; de stroperij door malafide sportduikers heeft daaraan geen goed gedaan. Tegenwoordig herstelt de populatie zich enigszins maar wegens de lange periode om tot volwassenheid te komen gaat dit niet erg snel. De kreeftenhandel heeft zich echter kunnen handhaven. Sinds de winter 1962/63 bestaat ze praktisch geheel uit geïmporteerde kreeften uit Schotland en Canada. De dieren worden per vliegtuig in gekoelde toestand levend aangevoerd. Bij aankomst worden ze overgebracht in bewaarbassins met kostbare zeewaterinstallaties (kreeftenparken) waarin de temperatuur op 8 à 10° wordt gehouden. Indien de verdere verzending naar de detailhandel te lang duurt worden ze gevoed. Ze zullen dit voedsel echter met de kleine scharen moeten verwerken omdat de grote, ter voorkoming van kannibalisme met elastieken banden of op andere wijze zijn dichtgebonden. Gesteld kan worden dat de in Zierikzee enkele eeuwen geleden aangevangen handel zich naar de eisen van de tijd heeft ontwikkeld; ze vindt nu voornamelijk vanuit Yerseke plaats; in 1980 werd ongeveer 770.000 kg kreeft ingevoerd, dit betekent een stijging van ruim 70% ten opzichte van van 1976.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-A.C. Drinkwaard, Vaane, W.J. Wolff&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
* B. Havinga, Rapport over de kreeftenvisserij in Zeeland en de kunstmatige kreeftenteelt. [https://iguana.zebi.nl/iguana/www.main.cls?surl=catalogus#recordid=325182159&amp;amp;Index=Indexppn]&lt;br /&gt;
* I. Ovaa, Mosselen kreeftcultuur. [https://iguana.zebi.nl/iguana/www.main.cls?surl=catalogus#recordid=325358443&amp;amp;Index=Indexppn]&lt;br /&gt;
* Leewis, R.J., G.R. Heerebout en Ch. Jacobusse (red.), 2010. Zeefauna in Zeeland, deel 2; Kreeften, krabben en garnalen. Fauna Zeelandica, deel 5, Stichting het Zeeuwse Landschap, Wilhelminadorp, pag. 74-76 [https://iguana.zebi.nl/iguana/www.main.cls?surl=catalogus#recordid=1681021&amp;amp;Index=Indexppn]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:Landbouw &amp;amp; visserij]]&lt;br /&gt;
[[category:schaal- en schelpdieren]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Kreeft&amp;diff=104466</id>
		<title>Kreeft</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Kreeft&amp;diff=104466"/>
		<updated>2024-06-11T09:25:10Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Kreeft&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Kreeft8.jpg|thumb|right300px|Kreeft, foto: C. de Boer bron: [https://hdl.handle.net/21.12128/0388a7a7-2c5a-88ff-071e-4009bad299c2  ZB Beeldbank Zeeland, recordnr. 148823]]]&lt;br /&gt;
==Kreeft (Astacidea)==&lt;br /&gt;
Behalve in de Oosterschelde en langs de kust van Walcheren komen kreeften langs de Nederlandse kust nauwelijks voor. Kreeften leven in veenbanken en tussen de stenen van zinkstukken in gedeeltelijk zelf gegraven holen, gebruikmakend van de natuurlijke terreinomstandigheden. &lt;br /&gt;
===Groei fasen===&lt;br /&gt;
De vrouwelijke exemplaren dragen de eieren tussen de poten, onderaan het achterlijf. Na het loslaten van de eieren komen de kreeftenlarven uit, die dan vrij in het water bewegen; ze vormen een bestanddeel van het dierlijke plankton. Onder het plankton worden de kleinste plantaardige en dierlijke organismen begrepen, die zonder noemenswaardige eigen beweging in het water zweven. Slechts weinig larven overleven dit stadium. Gedurende de groei maakt de kreeft verschillende fasen door. Het weke lichaam binnen het harde pantser groeit zolang tot het pantser over een kleine lengte overlangs openscheurt en het weke dier eruit kruipt. Na enige uren is het lichaam opgezwollen tot de nieuwe grootte. Gedurende enkele weken daarna, waarin zich weer een nieuw pantser vormt, houdt het dier zich schuil, omdat het dan vrij kwetsbaar is. Na ongeveer tien jaren kan de kreeft groot genoeg zijn om de interesse van de kreeftenvisser op te wekken. &lt;br /&gt;
===Kreeft visserij===&lt;br /&gt;
Voor zover bekend werden pas aan het eind van de 19e eeuw in de Zeeuwse wateren kreeften gevangen. De vangst was opengesteld van 1 april tot half juli. Te kleine exemplaren en wijfjes met eieren moesten worden teruggezet. De vangst vond plaats in kreeftekorven, een soort fuiken van metaalgaas, waarin aas (dode vis, inktvis) werd gelegd. Deze visserij bleef in vergelijking met die van mosselen en oesters steeds van geringe omvang. In de jaren &#039;20 werd een hoogtepunt bereikt. Vóór de strenge winter van 1962/63, waarin een groot deel van de kreeften omkwam, was het voor een twintigtal vissers een lonend bedrijf; de vangst bedroeg enkele duizenden kilo&#039;s. Daarna werd de kreeft vrij zeldzaam in de Oosterschelde; de stroperij door malafide sportduikers heeft daaraan geen goed gedaan. Tegenwoordig herstelt de populatie zich enigszins maar wegens de lange periode om tot volwassenheid te komen gaat dit niet erg snel. De kreeftenhandel heeft zich echter kunnen handhaven. Sinds de winter 1962/63 bestaat ze praktisch geheel uit geïmporteerde kreeften uit Schotland en Canada. De dieren worden per vliegtuig in gekoelde toestand levend aangevoerd. Bij aankomst worden ze overgebracht in bewaarbassins met kostbare zeewaterinstallaties (kreeftenparken) waarin de temperatuur op 8 à 10° wordt gehouden. Indien de verdere verzending naar de detailhandel te lang duurt worden ze gevoed. Ze zullen dit voedsel echter met de kleine scharen moeten verwerken omdat de grote, ter voorkoming van kannibalisme met elastieken banden of op andere wijze zijn dichtgebonden. Gesteld kan worden dat de in Zierikzee enkele eeuwen geleden aangevangen handel zich naar de eisen van de tijd heeft ontwikkeld; ze vindt nu voornamelijk vanuit Yerseke plaats; in 1980 werd ongeveer 770.000 kg kreeft ingevoerd, dit betekent een stijging van ruim 70% ten opzichte van van 1976.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-A.C. Drinkwaard, Vaane, W.J. Wolff&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
* B. Havinga, Rapport over de kreeftenvisserij in Zeeland en de kunstmatige kreeftenteelt. [https://iguana.zebi.nl/iguana/www.main.cls?surl=catalogus#recordid=325182159&amp;amp;Index=Indexppn]&lt;br /&gt;
* I. Ovaa, Mosselen kreeftcultuur. [https://iguana.zebi.nl/iguana/www.main.cls?surl=catalogus#recordid=325358443&amp;amp;Index=Indexppn]&lt;br /&gt;
* Leewis, R.J., G.R. Heerebout en Ch. Jacobusse (red.), 2010. Zeefauna in Zeeland, deel 2; Kreeften, krabben en garnalen. Fauna Zeelandica, deel 5, Stichting het Zeeuwse Landschap, Wilhelminadorp, pag. 74-76 [[[http://zoeken.zeeuwsebibliotheken.nl/?itemid=|library/vubissmart-zeeland|1681021 http://zoeken.zeeuwsebibliotheken.nl/?itemid=|library/vubissmart-zeeland|1681021]]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:Landbouw &amp;amp; visserij]]&lt;br /&gt;
[[category:schaal- en schelpdieren]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Kreeft&amp;diff=104465</id>
		<title>Kreeft</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Kreeft&amp;diff=104465"/>
		<updated>2024-06-11T09:24:41Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Kreeft&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Kreeft8.jpg|thumb|right300px|Kreeft, foto: C. de Boer bron: [https://hdl.handle.net/21.12128/0388a7a7-2c5a-88ff-071e-4009bad299c2  ZB Beeldbank Zeeland, recordnr. 148823]]]&lt;br /&gt;
==Kreeft (Astacidea)==&lt;br /&gt;
Behalve in de Oosterschelde en langs de kust van Walcheren komen kreeften langs de Nederlandse kust nauwelijks voor. Kreeften leven in veenbanken en tussen de stenen van zinkstukken in gedeeltelijk zelf gegraven holen, gebruikmakend van de natuurlijke terreinomstandigheden. &lt;br /&gt;
===Groei fasen===&lt;br /&gt;
De vrouwelijke exemplaren dragen de eieren tussen de poten, onderaan het achterlijf. Na het loslaten van de eieren komen de kreeftenlarven uit, die dan vrij in het water bewegen; ze vormen een bestanddeel van het dierlijke plankton. Onder het plankton worden de kleinste plantaardige en dierlijke organismen begrepen, die zonder noemenswaardige eigen beweging in het water zweven. Slechts weinig larven overleven dit stadium. Gedurende de groei maakt de kreeft verschillende fasen door. Het weke lichaam binnen het harde pantser groeit zolang tot het pantser over een kleine lengte overlangs openscheurt en het weke dier eruit kruipt. Na enige uren is het lichaam opgezwollen tot de nieuwe grootte. Gedurende enkele weken daarna, waarin zich weer een nieuw pantser vormt, houdt het dier zich schuil, omdat het dan vrij kwetsbaar is. Na ongeveer tien jaren kan de kreeft groot genoeg zijn om de interesse van de kreeftenvisser op te wekken. &lt;br /&gt;
===Kreeft visserij===&lt;br /&gt;
Voor zover bekend werden pas aan het eind van de 19e eeuw in de Zeeuwse wateren kreeften gevangen. De vangst was opengesteld van 1 april tot half juli. Te kleine exemplaren en wijfjes met eieren moesten worden teruggezet. De vangst vond plaats in kreeftekorven, een soort fuiken van metaalgaas, waarin aas (dode vis, inktvis) werd gelegd. Deze visserij bleef in vergelijking met die van mosselen en oesters steeds van geringe omvang. In de jaren &#039;20 werd een hoogtepunt bereikt. Vóór de strenge winter van 1962/63, waarin een groot deel van de kreeften omkwam, was het voor een twintigtal vissers een lonend bedrijf; de vangst bedroeg enkele duizenden kilo&#039;s. Daarna werd de kreeft vrij zeldzaam in de Oosterschelde; de stroperij door malafide sportduikers heeft daaraan geen goed gedaan. Tegenwoordig herstelt de populatie zich enigszins maar wegens de lange periode om tot volwassenheid te komen gaat dit niet erg snel. De kreeftenhandel heeft zich echter kunnen handhaven. Sinds de winter 1962/63 bestaat ze praktisch geheel uit geïmporteerde kreeften uit Schotland en Canada. De dieren worden per vliegtuig in gekoelde toestand levend aangevoerd. Bij aankomst worden ze overgebracht in bewaarbassins met kostbare zeewaterinstallaties (kreeftenparken) waarin de temperatuur op 8 à 10° wordt gehouden. Indien de verdere verzending naar de detailhandel te lang duurt worden ze gevoed. Ze zullen dit voedsel echter met de kleine scharen moeten verwerken omdat de grote, ter voorkoming van kannibalisme met elastieken banden of op andere wijze zijn dichtgebonden. Gesteld kan worden dat de in Zierikzee enkele eeuwen geleden aangevangen handel zich naar de eisen van de tijd heeft ontwikkeld; ze vindt nu voornamelijk vanuit Yerseke plaats; in 1980 werd ongeveer 770.000 kg kreeft ingevoerd, dit betekent een stijging van ruim 70% ten opzichte van van 1976.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-A.C. Drinkwaard, Vaane, W.J. Wolff&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
* B. Havinga, Rapport over de kreeftenvisserij in Zeeland en de kunstmatige kreeftenteelt. [https://iguana.zebi.nl/iguana/www.main.cls?surl=catalogus#recordid=325182159&amp;amp;Index=Indexppn]&lt;br /&gt;
* I. Ovaa, Mosselen kreeftcultuur. [https://iguana.zebi.nl/iguana/www.main.cls?surl=catalogus#recordid=325358443&amp;amp;Index=Indexppn]&lt;br /&gt;
* Leewis, R.J., G.R. Heerebout en Ch. Jacobusse (red.), 2010. Zeefauna in Zeeland, deel 2; Kreeften, krabben en garnalen. Fauna Zeelandica, deel 5, Stichting het Zeeuwse Landschap, Wilhelminadorp, pag. 74-76 [[http://zoeken.zeeuwsebibliotheken.nl/?itemid=|library/vubissmart-zeeland|1681021 http://zoeken.zeeuwsebibliotheken.nl/?itemid=|library/vubissmart-zeeland|1681021]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:Landbouw &amp;amp; visserij]]&lt;br /&gt;
[[category:schaal- en schelpdieren]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schaaldieren&amp;diff=104464</id>
		<title>Schaaldieren</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schaaldieren&amp;diff=104464"/>
		<updated>2024-06-11T09:20:00Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Schaaldieren&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Spinkrab.jpg|thumb|right300px|Spinkrab, bron: https: [//tijdschriftenbankzeeland.nl/issue/zlf/2010-01-01/edition/fz5/page/107 ZB Tijdschriftenbank Zeeland, &#039;&#039;Zeeuws landschap - Fauna Zeelandica&#039;&#039; (1 januari 2010) 103]]]&lt;br /&gt;
==Schaaldieren (Crustacea)==&lt;br /&gt;
Geleedpotige dieren, ademend door kieuwen. Het huidskelet bestaat uit een taaie stof (chitine) veelal versterkt met kalk. In Zeeland komen vertegenwoordigers voor van de volgende groepen: [[garnalen]], [[aasgarnalen]], [[kreeften]] ook bladpoot-, roeipoot-, vlo- en mosselkreeften, [[krabben]], [[eendenmossels]], pissebedden en [[zeepokken]].&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-K.F. Vaas &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
-Hana. Schaaldieren&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Garnalen&amp;diff=104463</id>
		<title>Garnalen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Garnalen&amp;diff=104463"/>
		<updated>2024-06-11T09:18:23Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Garnalen&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Garnalen.jpg|thumb|right300px|Garnaal, bron: Lamiot, Wikimedia]]&lt;br /&gt;
==Garnalen (Infraorde caridea)== &lt;br /&gt;
Zijdelings afgeplatte [[schaaldieren]] met sterke achterlijfspoten, die bij het zwemmen gebruikt worden. Langgerekt, flauw naar onderen gebogen achterlijf, waar de wijfjes hun eieren aan vast kleven. Ze leven van kleine, ook dode, dieren en van zwevend organisch materiaal. Uit de Zeeuwse wateren zijn achttien soorten bekend, de meeste zijn echter zeldzaam. Slechts drie soorten zijn algemeen: de gewone garnaal (Crángon crángon) en twee soorten steurgarnalen: gewone steurgarnaal (Palaémon élegans) en brakwatersteurgarnaal (Palaémon várians) , die geen afzonderlijke Nederlandse namen bezitten .&lt;br /&gt;
===Gewone garnaal (Cragon cragon)===&lt;br /&gt;
De gewone garnaal is de enige garnaal waarop gevist wordt. Deze soort komt in grote aantallen voor in het zeegebied voor de kust en dringt de zeearmen ver binnen, voor de uitvoering van de Deltawerken tot bij Willemstad. Ze vertonen een voorkeur voor een bodem bestaande uit zand of zandige modder. De dieren graven zich vaak in de bodem in, waarbij de sprieten en de ogen uitsteken. Wijfjes met eieren worden vrijwel het gehele jaar aangetroffen. Er zijn twee voortplantingsperioden. De dieren zijn binnen een jaar geslachtsrijp. Hoewel ze meer dan twee jaar oud kunnen worden en dan een lichaamslengte van meer dan 9 cm kunnen bereiken, zijn zulke exemplaren ten gevolge van de intensieve visserij uiterst zeldzaam. &lt;br /&gt;
===Brakwatersteurgarnaal (Palaemonétes várians)===&lt;br /&gt;
Brakwatersteurgarnaal komt algemeen voor in brakke binnenwateren. Deze soort kan goed snelle veranderingen in het zoutgehalte verdragen, iets wat vaak voorkomt in brakke sloten en plassen, ten gevolge van neerslag of verdamping. Wijfjes met eieren worden van april tot september gevonden. De dieren zijn na een jaar geslachtsrijp. De meeste worden niet ouder dan anderhalf tot twee jaar. Ze hebben dan een lengte van 3 tot 5 centimeter. &lt;br /&gt;
===Steurgarnaal (Palaémon élegans)===&lt;br /&gt;
Steurgarnaal wordt aangetroffen op meer beschutte plaatsen in de zeearmen, maar alleen waar het zoutgehalte hoog genoeg is. De dieren leven tussen de zeewieren en ander aangroeisel bij dijken, pieren en havens. Wijfjes met eieren worden van mei tot augustus gevonden. Na een jaar zijn ze geslachtsrijp. Vermoedelijk worden ze niet ouder dan anderhalf tot twee jaar. Volwassen exemplaren hebben een lengte van 3 tot 6 centimeter. Van de zeldzame soorten kan nog de ringspriet (Pándalus montágtu) of rode steurgarnaal (Pantdalus borealis) genoemd worden. Dieren van deze soort worden een enkele maal tussen de consumptiegarnalen aangetroffen. Ze trekken in kleine aantallen de zeegaten van de Noordzee uit binnen, maar planten zich waarschijnlijk hier niet voort.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-G.R. Heerebout&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
* Holthuis en Heerebout, Garnalen. [https://iguana.zebi.nl/iguana/www.main.cls?surl=catalogus#recordid=036606596&amp;amp;Index=Indexppn]&lt;br /&gt;
* Heerebout, Distribution and ecology, 73-93. &lt;br /&gt;
* Van Beylen, Zeeuwse vissersschepen. [https://iguana.zebi.nl/iguana/www.main.cls?surl=catalogus#recordid=820853607&amp;amp;Index=Indexppn]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:schaaldieren]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schaaldieren&amp;diff=104462</id>
		<title>Schaaldieren</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Schaaldieren&amp;diff=104462"/>
		<updated>2024-06-11T09:17:38Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Schaaldieren&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Schaaldieren.jpg|thumb|right300px| , bron: ]]&lt;br /&gt;
==Schaaldieren (Crustacea)==&lt;br /&gt;
Geleedpotige dieren, ademend door kieuwen. Het huidskelet bestaat uit een taaie stof (chitine) veelal versterkt met kalk. In Zeeland komen vertegenwoordigers voor van de volgende groepen: [[garnalen]], [[aasgarnalen]], [[kreeften]] ook bladpoot-, roeipoot-, vlo- en mosselkreeften, [[krabben]], [[eendenmossels]], pissebedden en [[zeepokken]].&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-K.F. Vaas &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Literatuur==&lt;br /&gt;
-Hana. Schaaldieren&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Bestand:Salomszegel.jpg&amp;diff=104461</id>
		<title>Bestand:Salomszegel.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Bestand:Salomszegel.jpg&amp;diff=104461"/>
		<updated>2024-06-11T09:06:20Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Bestand:Salie.jpg&amp;diff=104457</id>
		<title>Bestand:Salie.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Bestand:Salie.jpg&amp;diff=104457"/>
		<updated>2024-06-11T08:40:31Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: Jacqueline heeft een nieuwe versie van Bestand:Salie.jpg geüpload&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Bestand:Salie.jpg&amp;diff=104456</id>
		<title>Bestand:Salie.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Bestand:Salie.jpg&amp;diff=104456"/>
		<updated>2024-06-11T08:37:58Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salie&amp;diff=104455</id>
		<title>Salie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salie&amp;diff=104455"/>
		<updated>2024-06-11T08:36:44Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Salie &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Salie.jpg|thumb|right300px|Kleinbloemige salie, foto: Chiel Jacobusse bron:[https://tijdschriftenbankzeeland.nl/issue/lan/2000-09-01/edition/0/page/20 &#039;&#039;Zeeuws Landschap&#039;&#039; 16/3 (1 september 2000) 20]]]&lt;br /&gt;
==Salie (Sálvia)==&lt;br /&gt;
Is een plantengeslacht waarvan je de veldsalie (Sálvia praténsis) tegenwoordig vrij veel vindt op een aantal Deltadammen (onder andere Veerse Dam, Zandkreekdam, Brouwersdam en Grevelingendam). De plant is waarschijnlijk met de klei aangevoerd. &lt;br /&gt;
===Valse salie (Teacrium scorodénzia)===&lt;br /&gt;
Een nauwe verwant is de valse salie, kenmerkend voor bossen en struwelen op droge, kalkarme zandgrond. Zij komt voorop een beperkt aantal plaatsen in de duinen (op Walcheren bijvoorbeeld. tussen Domburg en Vrouwenpolder: ontbreekt elders op Walcheren en ook in de Zeeuws-Vlaamse duinen) en vervolgens in het zandgebied van Zeeuws-Vlaanderen langs de Belgische grens. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-A.M.M. van Haperen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:flora]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salie&amp;diff=104454</id>
		<title>Salie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salie&amp;diff=104454"/>
		<updated>2024-06-11T08:35:47Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Salie &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Salie.jpg|thumb|right300px|Salie, bron:[https://tijdschriftenbankzeeland.nl/issue/lan/2000-09-01/edition/0/page/20 &#039;&#039;Zeeuws Landschap&#039;&#039; 16/3 (1 september 2000) 20]]]&lt;br /&gt;
==Salie (Sálvia)==&lt;br /&gt;
Is een plantengeslacht waarvan je de veldsalie (Sálvia praténsis) tegenwoordig vrij veel vindt op een aantal Deltadammen (onder andere Veerse Dam, Zandkreekdam, Brouwersdam en Grevelingendam). De plant is waarschijnlijk met de klei aangevoerd. &lt;br /&gt;
===Valse salie (Teacrium scorodénzia)===&lt;br /&gt;
Een nauwe verwant is de valse salie, kenmerkend voor bossen en struwelen op droge, kalkarme zandgrond. Zij komt voorop een beperkt aantal plaatsen in de duinen (op Walcheren bijvoorbeeld. tussen Domburg en Vrouwenpolder: ontbreekt elders op Walcheren en ook in de Zeeuws-Vlaamse duinen) en vervolgens in het zandgebied van Zeeuws-Vlaanderen langs de Belgische grens. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-A.M.M. van Haperen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:flora]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salie&amp;diff=104453</id>
		<title>Salie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salie&amp;diff=104453"/>
		<updated>2024-06-11T08:26:10Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Salie &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Salie.jpg|thumb|right300px|Salie, bron: ]]&lt;br /&gt;
==Salie (Sálvia)==&lt;br /&gt;
Is een plantengeslacht waarvan je de veldsalie (Sálvia praténsis) tegenwoordig vrij veel vindt op een aantal Deltadammen (onder andere Veerse Dam, Zandkreekdam, Brouwersdam en Grevelingendam). De plant is waarschijnlijk met de klei aangevoerd. &lt;br /&gt;
===Valse salie (Teacrium scorodénzia)===&lt;br /&gt;
Een nauwe verwant is de valse salie, kenmerkend voor bossen en struwelen op droge, kalkarme zandgrond. Zij komt voorop een beperkt aantal plaatsen in de duinen (op Walcheren bijvoorbeeld. tussen Domburg en Vrouwenpolder: ontbreekt elders op Walcheren en ook in de Zeeuws-Vlaamse duinen) en vervolgens in het zandgebied van Zeeuws-Vlaanderen langs de Belgische grens. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-A.M.M. van Haperen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:flora]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salie_(s%C3%A1lvia)&amp;diff=104452</id>
		<title>Salie (sálvia)</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salie_(s%C3%A1lvia)&amp;diff=104452"/>
		<updated>2024-06-11T08:24:26Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: Jacqueline heeft pagina Salie (sálvia) hernoemd naar Salie&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;#DOORVERWIJZING [[Salie]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salie&amp;diff=104451</id>
		<title>Salie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salie&amp;diff=104451"/>
		<updated>2024-06-11T08:24:26Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: Jacqueline heeft pagina Salie (sálvia) hernoemd naar Salie&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Salie &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Salie (Sálvia)==&lt;br /&gt;
Is een plantengeslacht waarvan je de veldsalie (Sálvia praténsis) tegenwoordig vrij veel vindt op een aantal Deltadammen (onder andere Veerse Dam, Zandkreekdam, Brouwersdam en Grevelingendam). De plant is waarschijnlijk met de klei aangevoerd. &lt;br /&gt;
===Valse salie (Teacrium scorodénzia)===&lt;br /&gt;
Een nauwe verwant is de valse salie, kenmerkend voor bossen en struwelen op droge, kalkarme zandgrond. Zij komt voorop een beperkt aantal plaatsen in de duinen (op Walcheren bijvoorbeeld. tussen Domburg en Vrouwenpolder: ontbreekt elders op Walcheren en ook in de Zeeuws-Vlaamse duinen) en vervolgens in het zandgebied van Zeeuws-Vlaanderen langs de Belgische grens. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-A.M.M. van Haperen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:flora]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salie&amp;diff=104450</id>
		<title>Salie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salie&amp;diff=104450"/>
		<updated>2024-06-11T08:24:17Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Salie &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Salie (Sálvia)==&lt;br /&gt;
Is een plantengeslacht waarvan je de veldsalie (Sálvia praténsis) tegenwoordig vrij veel vindt op een aantal Deltadammen (onder andere Veerse Dam, Zandkreekdam, Brouwersdam en Grevelingendam). De plant is waarschijnlijk met de klei aangevoerd. &lt;br /&gt;
===Valse salie (Teacrium scorodénzia)===&lt;br /&gt;
Een nauwe verwant is de valse salie, kenmerkend voor bossen en struwelen op droge, kalkarme zandgrond. Zij komt voorop een beperkt aantal plaatsen in de duinen (op Walcheren bijvoorbeeld. tussen Domburg en Vrouwenpolder: ontbreekt elders op Walcheren en ook in de Zeeuws-Vlaamse duinen) en vervolgens in het zandgebied van Zeeuws-Vlaanderen langs de Belgische grens. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-A.M.M. van Haperen &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:flora]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Bestand:Salamander8.jpg&amp;diff=104449</id>
		<title>Bestand:Salamander8.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Bestand:Salamander8.jpg&amp;diff=104449"/>
		<updated>2024-06-11T08:10:03Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salamanders&amp;diff=104448</id>
		<title>Salamanders</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salamanders&amp;diff=104448"/>
		<updated>2024-06-11T08:08:12Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Salamanders&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Salamander8.jpg|thumb|right300px|Grote salamander, bron: Salicyna Wikimedia ]]&lt;br /&gt;
==Salamanders (Tritárus)== &lt;br /&gt;
===Grote watersalamander (Tritárus cristátus)===&lt;br /&gt;
De grote watersalamander is alleen in West Zeeuws-Vlaanderen waargenomen. &lt;br /&gt;
===Kleine watersalamander (Tritárus vulgáris)===&lt;br /&gt;
De kleine watersalamander leeft in het grootste deel van Zeeland, maar is nog niet bekend van Tholen en St.-Philipsland. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-W.S.S. van Benthem Jutting &lt;br /&gt;
== Literatuur==&lt;br /&gt;
-P.H.J. van Bree, Aantekeningen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:reptielen]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salamanders&amp;diff=104447</id>
		<title>Salamanders</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salamanders&amp;diff=104447"/>
		<updated>2024-06-11T08:07:56Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Salamanders&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Salamander.jpg|thumb|right300px|Grote salamander, bron: Salicyna Wikimedia ]]&lt;br /&gt;
==Salamanders (Tritárus)== &lt;br /&gt;
===Grote watersalamander (Tritárus cristátus)===&lt;br /&gt;
De grote watersalamander is alleen in West Zeeuws-Vlaanderen waargenomen. &lt;br /&gt;
===Kleine watersalamander (Tritárus vulgáris)===&lt;br /&gt;
De kleine watersalamander leeft in het grootste deel van Zeeland, maar is nog niet bekend van Tholen en St.-Philipsland. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-W.S.S. van Benthem Jutting &lt;br /&gt;
== Literatuur==&lt;br /&gt;
-P.H.J. van Bree, Aantekeningen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:reptielen]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salamanders&amp;diff=104339</id>
		<title>Salamanders</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salamanders&amp;diff=104339"/>
		<updated>2024-05-02T08:57:02Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Salamanders&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Salamanders.jpg|thumb|right300px| , bron: ]]&lt;br /&gt;
==Salamanders (Tritárus)== &lt;br /&gt;
===Grote watersalamander (Tritárus cristátus)===&lt;br /&gt;
De grote watersalamander is alleen in West Zeeuws-Vlaanderen waargenomen. &lt;br /&gt;
===Kleine watersalamander (Tritárus vulgáris)===&lt;br /&gt;
De kleine watersalamander leeft in het grootste deel van Zeeland, maar is nog niet bekend van Tholen en St.-Philipsland. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-W.S.S. van Benthem Jutting &lt;br /&gt;
== Literatuur==&lt;br /&gt;
-P.H.J. van Bree, Aantekeningen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:reptielen]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salamanders&amp;diff=104338</id>
		<title>Salamanders</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salamanders&amp;diff=104338"/>
		<updated>2024-05-02T08:56:14Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Salamanders&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Salamanders (Tritárus)== &lt;br /&gt;
===Grote watersalamander (Tritárus cristátus)===&lt;br /&gt;
De grote watersalamander is alleen in West Zeeuws-Vlaanderen waargenomen. &lt;br /&gt;
===Kleine watersalamander (Tritárus vulgáris)===&lt;br /&gt;
De kleine watersalamander leeft in het grootste deel van Zeeland, maar is nog niet bekend van Tholen en St.-Philipsland. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-W.S.S. van Benthem Jutting &lt;br /&gt;
== Literatuur==&lt;br /&gt;
-P.H.J. van Bree, Aantekeningen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Fauna]]&lt;br /&gt;
[[category:reptielen]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salamanders&amp;diff=104337</id>
		<title>Salamanders</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Salamanders&amp;diff=104337"/>
		<updated>2024-05-02T08:52:42Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Salamanders&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Salamanders (Tritárus)== &lt;br /&gt;
De grote watersalamander (Tritárus cristátus) is alleen in West Zeeuws-Vlaanderen waargenomen. De kleine watersalamander (Tritárus vulgáris) leeft in het grootste deel van Zeeland, maar is nog niet bekend van Tholen en St.-Philipsland. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
= AUTEUR =&lt;br /&gt;
= W.S.S. van Benthem Jutting =&lt;br /&gt;
= LITERATUUR =&lt;br /&gt;
= P.H.J. van Bree, Aantekeningen. =&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:reptielen]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Bestand:Rus.jpg&amp;diff=104336</id>
		<title>Bestand:Rus.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Bestand:Rus.jpg&amp;diff=104336"/>
		<updated>2024-05-02T08:46:52Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rus&amp;diff=104335</id>
		<title>Rus</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rus&amp;diff=104335"/>
		<updated>2024-05-02T08:45:35Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Rus&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Rus.jpg|thumb|right300px|Zeegroene rus , bron: B. Schoenmakers Wikimedia ]]&lt;br /&gt;
==Rus (Juncus)== &lt;br /&gt;
Geslacht van grasachtige planten, behorend tot de russenfamilie. Het geslacht valt uiteen in twee groepen. Bij de ene groep vormt het schutblad de directe voortzetting van de stengel, waardoor de bloeiwijze schijnbaar zijdelings uit de stengel treedt. Bij de andere groep is de bloeiwijze duidelijk eindelings.&lt;br /&gt;
===Zeegroene rus (Juncus inflexus)===&lt;br /&gt;
Van de eerste groep is de zeegroene rus de meest al gemene. Hij komt algemeen voor op vochtige voedselrijke grond. &lt;br /&gt;
===Pitrus (Juncus effusus)===&lt;br /&gt;
Minder algemeen is de zoutmijdende pitrus (Juncus effusus). Deze soort komt alleen voor in gebieden met relatief zoet polderwater (bijvoorbeeld binnenduinrand, Zak van Zuid-Beveland, delen van Zeeuws-Vlaanderen). &lt;br /&gt;
===Biezenknoppen (Juncus subuliflorus)===&lt;br /&gt;
Nog zeldzamer is biezenknoppen, die vooral groeit op kalkarme vochtige zandgrond. In Zeeland vindt men deze soort plaatselijk in de binnenduinrand en het Zeeuws-Vlaamse zandgebied. &lt;br /&gt;
===Zeerus (Juncus maritimus)===&lt;br /&gt;
Een vierde soort is de zeerus. Zij komt in Nederland weinig voor. In Zeeland vindt men haar regelmatig, met name in de Grevelingen en het Veerse Meer op brakke vochtige bodems. &lt;br /&gt;
===Greppelrus (Juncus bufonius)===&lt;br /&gt;
Van de soorten met een eindelingse bloeiwijze komen de greppelrus, zilte rus en de zomprus vrij algemeen voor. De greppelrus is een eenjarige plant die vooral voorkomt in pioniersituaties op open vochtige grond (paden, karresporen, rond drinkputten). Deze soort valt uiteen in een aantal onder soorten die moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, onder andere de duinrus (Juncus alpinoarticulatus). &lt;br /&gt;
===zilte rus (Juncus gerardii)===&lt;br /&gt;
De zilte rus komt algemeen voor op vochtige zilte of brakke grond. &lt;br /&gt;
===Zomprus (Juncus articulatus)===&lt;br /&gt;
De zomprus is kenmerkend voor zoete vochtige graslanden en moerassen. In zilte omgeving komt hij niet voor. &lt;br /&gt;
===Zeldzamere soorten===&lt;br /&gt;
Enkele zeldzamere soorten zijn de padderus (Juncus subnodulosus) (plaatselijk in het duingebied van Schouwen) en de platte rus (Juncus compressus). De laatste lijkt sterk op de zilte rus en de verspreiding in Zeeland is nog niet goed bekend. Waarschijnlijk komt hij slechts zeer incidenteel voor.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-K.F. Vaas&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[Category:Flora]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rus&amp;diff=104334</id>
		<title>Rus</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rus&amp;diff=104334"/>
		<updated>2024-05-02T08:21:35Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Rus&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Rus.jpg|thumb|right300px| , bron: ]]&lt;br /&gt;
==Rus (Juncus)== &lt;br /&gt;
Geslacht van grasachtige planten, behorend tot de russenfamilie. Het geslacht valt uiteen in twee groepen. Bij de ene groep vormt het schutblad de directe voortzetting van de stengel, waardoor de bloeiwijze schijnbaar zijdelings uit de stengel treedt. Bij de andere groep is de bloeiwijze duidelijk eindelings.&lt;br /&gt;
===Zeegroene rus (Juncus inflexus)===&lt;br /&gt;
Van de eerste groep is de zeegroene rus de meest al gemene. Hij komt algemeen voor op vochtige voedselrijke grond. &lt;br /&gt;
===Pitrus (Juncus effusus)===&lt;br /&gt;
Minder algemeen is de zoutmijdende pitrus (Juncus effusus). Deze soort komt alleen voor in gebieden met relatief zoet polderwater (bijvoorbeeld binnenduinrand, Zak van Zuid-Beveland, delen van Zeeuws-Vlaanderen). &lt;br /&gt;
===Biezenknoppen (Juncus subuliflorus)===&lt;br /&gt;
Nog zeldzamer is biezenknoppen, die vooral groeit op kalkarme vochtige zandgrond. In Zeeland vindt men deze soort plaatselijk in de binnenduinrand en het Zeeuws-Vlaamse zandgebied. &lt;br /&gt;
===Zeerus (Juncus maritimus)===&lt;br /&gt;
Een vierde soort is de zeerus. Zij komt in Nederland weinig voor. In Zeeland vindt men haar regelmatig, met name in de Grevelingen en het Veerse Meer op brakke vochtige bodems. &lt;br /&gt;
===Greppelrus (Juncus bufonius)===&lt;br /&gt;
Van de soorten met een eindelingse bloeiwijze komen de greppelrus, zilte rus en de zomprus vrij algemeen voor. De greppelrus is een eenjarige plant die vooral voorkomt in pioniersituaties op open vochtige grond (paden, karresporen, rond drinkputten). Deze soort valt uiteen in een aantal onder soorten die moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, onder andere de duinrus (Juncus alpinoarticulatus). &lt;br /&gt;
===zilte rus (Juncus gerardii)===&lt;br /&gt;
De zilte rus komt algemeen voor op vochtige zilte of brakke grond. &lt;br /&gt;
===Zomprus (Juncus articulatus)===&lt;br /&gt;
De zomprus is kenmerkend voor zoete vochtige graslanden en moerassen. In zilte omgeving komt hij niet voor. &lt;br /&gt;
===Zeldzamere soorten===&lt;br /&gt;
Enkele zeldzamere soorten zijn de padderus (Juncus subnodulosus) (plaatselijk in het duingebied van Schouwen) en de platte rus (Juncus compressus). De laatste lijkt sterk op de zilte rus en de verspreiding in Zeeland is nog niet goed bekend. Waarschijnlijk komt hij slechts zeer incidenteel voor.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-K.F. Vaas&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[Category:Flora]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rus&amp;diff=104333</id>
		<title>Rus</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rus&amp;diff=104333"/>
		<updated>2024-05-02T08:21:13Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Rus&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:  .jpg|thumb|right300px| , bron: ]]&lt;br /&gt;
==Rus (Juncus)== &lt;br /&gt;
Geslacht van grasachtige planten, behorend tot de russenfamilie. Het geslacht valt uiteen in twee groepen. Bij de ene groep vormt het schutblad de directe voortzetting van de stengel, waardoor de bloeiwijze schijnbaar zijdelings uit de stengel treedt. Bij de andere groep is de bloeiwijze duidelijk eindelings.&lt;br /&gt;
===Zeegroene rus (Juncus inflexus)===&lt;br /&gt;
Van de eerste groep is de zeegroene rus de meest al gemene. Hij komt algemeen voor op vochtige voedselrijke grond. &lt;br /&gt;
===Pitrus (Juncus effusus)===&lt;br /&gt;
Minder algemeen is de zoutmijdende pitrus (Juncus effusus). Deze soort komt alleen voor in gebieden met relatief zoet polderwater (bijvoorbeeld binnenduinrand, Zak van Zuid-Beveland, delen van Zeeuws-Vlaanderen). &lt;br /&gt;
===Biezenknoppen (Juncus subuliflorus)===&lt;br /&gt;
Nog zeldzamer is biezenknoppen, die vooral groeit op kalkarme vochtige zandgrond. In Zeeland vindt men deze soort plaatselijk in de binnenduinrand en het Zeeuws-Vlaamse zandgebied. &lt;br /&gt;
===Zeerus (Juncus maritimus)===&lt;br /&gt;
Een vierde soort is de zeerus. Zij komt in Nederland weinig voor. In Zeeland vindt men haar regelmatig, met name in de Grevelingen en het Veerse Meer op brakke vochtige bodems. &lt;br /&gt;
===Greppelrus (Juncus bufonius)===&lt;br /&gt;
Van de soorten met een eindelingse bloeiwijze komen de greppelrus, zilte rus en de zomprus vrij algemeen voor. De greppelrus is een eenjarige plant die vooral voorkomt in pioniersituaties op open vochtige grond (paden, karresporen, rond drinkputten). Deze soort valt uiteen in een aantal onder soorten die moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, onder andere de duinrus (Juncus alpinoarticulatus). &lt;br /&gt;
===zilte rus (Juncus gerardii)===&lt;br /&gt;
De zilte rus komt algemeen voor op vochtige zilte of brakke grond. &lt;br /&gt;
===Zomprus (Juncus articulatus)===&lt;br /&gt;
De zomprus is kenmerkend voor zoete vochtige graslanden en moerassen. In zilte omgeving komt hij niet voor. &lt;br /&gt;
===Zeldzamere soorten===&lt;br /&gt;
Enkele zeldzamere soorten zijn de padderus (Juncus subnodulosus) (plaatselijk in het duingebied van Schouwen) en de platte rus (Juncus compressus). De laatste lijkt sterk op de zilte rus en de verspreiding in Zeeland is nog niet goed bekend. Waarschijnlijk komt hij slechts zeer incidenteel voor.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-K.F. Vaas&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[Category:Flora]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rus&amp;diff=104332</id>
		<title>Rus</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rus&amp;diff=104332"/>
		<updated>2024-05-02T08:20:32Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Rus&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:  .jpg|thumb|right300px| , bron: ]]&lt;br /&gt;
==Rus(Juncus)== &lt;br /&gt;
Geslacht van grasachtige planten, behorend tot de russenfamilie. Het geslacht valt uiteen in twee groepen. Bij de ene groep vormt het schutblad de directe voortzetting van de stengel, waardoor de bloeiwijze schijnbaar zijdelings uit de stengel treedt. Bij de andere groep is de bloeiwijze duidelijk eindelings.&lt;br /&gt;
===Zeegroene rus (Juncus inflexus)===&lt;br /&gt;
Van de eerste groep is de zeegroene rus de meest al gemene. Hij komt algemeen voor op vochtige voedselrijke grond. &lt;br /&gt;
===Pitrus (Juncus effusus)===&lt;br /&gt;
Minder algemeen is de zoutmijdende pitrus (Juncus effusus). Deze soort komt alleen voor in gebieden met relatief zoet polderwater (bijvoorbeeld binnenduinrand, Zak van Zuid-Beveland, delen van Zeeuws-Vlaanderen). &lt;br /&gt;
===Biezenknoppen (Juncus subuliflorus)===&lt;br /&gt;
Nog zeldzamer is biezenknoppen, die vooral groeit op kalkarme vochtige zandgrond. In Zeeland vindt men deze soort plaatselijk in de binnenduinrand en het Zeeuws-Vlaamse zandgebied. &lt;br /&gt;
===Zeerus (Juncus maritimus)===&lt;br /&gt;
Een vierde soort is de zeerus. Zij komt in Nederland weinig voor. In Zeeland vindt men haar regelmatig, met name in de Grevelingen en het Veerse Meer op brakke vochtige bodems. &lt;br /&gt;
===Greppelrus (Juncus bufonius)===&lt;br /&gt;
Van de soorten met een eindelingse bloeiwijze komen de greppelrus, zilte rus en de zomprus vrij algemeen voor. De greppelrus is een eenjarige plant die vooral voorkomt in pioniersituaties op open vochtige grond (paden, karresporen, rond drinkputten). Deze soort valt uiteen in een aantal onder soorten die moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, onder andere de duinrus (Juncus alpinoarticulatus). &lt;br /&gt;
===zilte rus (Juncus gerardii)===&lt;br /&gt;
De zilte rus komt algemeen voor op vochtige zilte of brakke grond. &lt;br /&gt;
===Zomprus (Juncus articulatus)===&lt;br /&gt;
De zomprus is kenmerkend voor zoete vochtige graslanden en moerassen. In zilte omgeving komt hij niet voor. &lt;br /&gt;
===Zeldzamere soorten===&lt;br /&gt;
Enkele zeldzamere soorten zijn de padderus (Juncus subnodulosus) (plaatselijk in het duingebied van Schouwen) en de platte rus (Juncus compressus). De laatste lijkt sterk op de zilte rus en de verspreiding in Zeeland is nog niet goed bekend. Waarschijnlijk komt hij slechts zeer incidenteel voor.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
==Auteur==&lt;br /&gt;
-K.F. Vaas&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[Category:Flora]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rus&amp;diff=104331</id>
		<title>Rus</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rus&amp;diff=104331"/>
		<updated>2024-05-02T08:08:11Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: Nieuwe pagina aangemaakt met &amp;#039;{{Infobox  | above      = Rus }}  , bron:  ==RUS (Juncus)==  Geslacht van grasachtige planten, behorend tot de russenfamilie. He...&amp;#039;&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Rus&lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:  .jpg|thumb|right300px| , bron: ]]&lt;br /&gt;
==RUS (Juncus)== &lt;br /&gt;
Geslacht van grasachtige planten, behorend tot de russenfamilie. Het geslacht valt uiteen in twee groepen. Bij de ene groep vormt het schutblad de directe voortzetting van de stengel, waardoor de bloeiwijze schijnbaar zijdelings uit de stengel treedt. Bij de andere groep is de bloeiwijze duidelijk eindelings. Van de eerste groep is de zeegroene rus (J. inflexus) de meest al gemene. Hij komt algemeen voor op vochtige voedselrijke grond. Minder algemeen is de zoutmijdende pitrus (J. effusus). Deze soort komt alleen voor in gebieden met relatief zoet polderwater (bijv. binnenduinrand, Zak van Zuid-Beveland, delen van Zeeuws-Vlaanderen). Nog zeldzamer is biezenknoppen (J. subuliflorus), die vooral groeit op kalkarme vochtige zandgrond. In Zeeland vindt men deze soort plaatselijk in de binnenduinrand en het Zeeuws-Vlaamse zandgebied. Een vierde soort is de zeerus (J. maritimus). Zij komt in Nederland weinig voor. In Zeeland vindt men haar regelmatig, met name in de Grevelingen en het Veerse Meer op brakke vochtige bodems. Van de soorten met een eindelingse bloeiwijze komen de greppelrus (J. bufonius), zilte rus (J. gerardii) en de zomprus (J. articulatus) vrij algemeen voor. De greppelrus is een eenjarige plant die vooral voorkomt in pioniersituaties op open vochtige grond (paden, karresporen, rond drinkputten e.d.). Deze soort valt uiteen in een aantal onder soorten die moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, o.a. de duinrus (J. alpinoarticulatus ssp. atricapillus). De zilte rus komt algemeen voor op vochtige zilte of brakke grond. De zomprus is kenmerkend voor zoete vochtige graslanden en moerassen. In zilte omgeving komt hij niet voor. Enkele zeldzamere soorten zijn de padderus (J. subnodulosus) (plaatselijk in het duingebied van Schouwen) en de platte rus (J. compressus). De laatste lijkt sterk op de zilte rus en de verspreiding in Zeeland is nog niet goed bekend. Waarschijnlijk komt hij slechts zeer incidenteel voor.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
AUTEUR&lt;br /&gt;
K.F. Vaas&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[Category:Flora]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rupsklaver&amp;diff=104330</id>
		<title>Rupsklaver</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rupsklaver&amp;diff=104330"/>
		<updated>2024-05-02T08:05:03Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Rupsklaver &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Hopklaver.jpg|thumb|right300px|Hopklaver, foto: C. Jacobusse bron:[https://tijdschriftenbankzeeland.nl/issue/lan/2015-09-01/edition/null/page/9 ZB Tijdschriftenbank Zeeland &#039;&#039;Zeeuws landschap&#039;&#039; 31/3 (1 september 2015) 9]]]&lt;br /&gt;
== Rupsklaver (Medicágo) ==&lt;br /&gt;
Plantengeslacht, behorend tot de familie der vlinderbloemigen. In Zeeland komen drie soorten voor. &lt;br /&gt;
===Hopklaver (Medicágo lupulína)===&lt;br /&gt;
Het meest algemeen is de [[hopklaver]]. Zij komt voor in wegbermen, graslanden en op bouwland. &lt;br /&gt;
===Gevlekte rupsklaver (Medicágo arábica)===&lt;br /&gt;
Een tweede soort is de gevlekte rupsklaver. Deze soort komt in Nederland vooral voor in het zuidwestelijk kustgebied. Is hier vrij algemeen in gemaaide wegbermen en op extensief beweide dijken. Vaak samen met knopig [[doornzaad]]. &lt;br /&gt;
===Luzerne (Medicágo satíva)===&lt;br /&gt;
Tot dit geslacht behoort ook de [[luzerne]]. Ze wordt veelvuldig gekweekt als voederplant en groenbemester. De luzerne is ook vaak verwilderd. &lt;br /&gt;
===Sikkelhaver (Medicágo satíva)===&lt;br /&gt;
Een lager blijvende geelbloeiende wilde variëteit van deze plant is de sikkelhaver. Deze komt in het oostelijk rivierengebied plaatselijk voor op droge kalkrijke dijken en nu, samen met andere uit het oostelijk rivierengebied ingevoerde planten, op de in het kader van de Deltawerken aangelegde dammen (Veerse Gat-, Zandkreek-, Brouwers- en Grevelingendam). Deze planten zijn waarschijnlijk meegekomen met de aangevoerde klei. De sikkelhaver komt ook voor op en rond de veerpleinen van enkele Westerscheldeveren (met name Kruiningen). Op de groeiplaatsen van de sikkelhaver vindt men ook vaak de overgangsvormen tussen deze soort en de luzerne: de bastaard luzerne (Medicágo vária). &lt;br /&gt;
===Kleine rupsklaver (Medicágo mínima)===&lt;br /&gt;
De meest zeldzame soort van dit geslacht in Zeeland, is de kleine rupsklaver. De kleine rupsklaver is een in Nederland zeldzame plant van graslanden op droge zandige grond, met name in de duinen. Zij kwam vroeger op Walcheren, Schouwen en in Zeeuws-Vlaanderen in de duinen voor; is tegenwoordig op de meeste plaatsen verdwenen. De belangrijkste groeiplaatsen liggen nu op de wallen van Retranchement en rond het Zwin (Zeeuws-Vlaanderen). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Auteur ==&lt;br /&gt;
-K.F. Vaas&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Flora]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rupsklaver&amp;diff=104329</id>
		<title>Rupsklaver</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Rupsklaver&amp;diff=104329"/>
		<updated>2024-05-02T08:04:06Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;Jacqueline: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;{{Infobox&lt;br /&gt;
 | above      = Rupsklaver &lt;br /&gt;
}}&lt;br /&gt;
[[Bestand:Hopklaver.jpg|thumb|right300px|Hopklaver, foto: C. Jacobusse bron:[https://tijdschriftenbankzeeland.nl/issue/lan/2015-09-01/edition/null/page/9 ZB Tijdschriftenbank Zeeland &#039;&#039;Zeeuws landschap&#039;&#039; 31/3 (1 september 2015) 9]]]&lt;br /&gt;
== Rupsklaver (Medicágo) ==&lt;br /&gt;
Plantengeslacht, behorend tot de familie der vlinderbloemigen. In Zeeland komen drie soorten voor. &lt;br /&gt;
===Hopklaver (Medicágo lupulína)===&lt;br /&gt;
Het meest algemeen is de [[hopklaver]]. Zij komt voor in wegbermen, graslanden en op bouwland. &lt;br /&gt;
===Gevlekte rupsklaver (Medicágo arábica)===&lt;br /&gt;
Een tweede soort is de gevlekte rupsklaver. Deze soort komt in Nederland vooral voor in het zuidwestelijk kustgebied. Is hier vrij algemeen in gemaaide wegbermen en op extensief beweide dijken. Vaak samen met knopig [[doornzaad]]. &lt;br /&gt;
===Luzerne (Medicágo satíva)===&lt;br /&gt;
Tot dit geslacht behoort ook de [[luzerne]]. Ze wordt veelvuldig gekweekt als voederplant en groenbemester. De luzerne is ook vaak verwilderd. &lt;br /&gt;
===Sikkelhaver (Medicágo satíva)===&lt;br /&gt;
Een lager blijvende geelbloeiende wilde variëteit van deze plant is de sikkelhaver. Deze komt in het oostelijk rivierengebied plaatselijk voor op droge kalkrijke dijken en thans, samen met andere uit het oostelijk rivierengebied ingevoerde planten, op de in het kader van de Deltawerken aangelegde dammen (Veerse Gat-, Zandkreek-, Brouwers- en Grevelingendam). Deze planten zijn waarschijnlijk meegekomen met de aangevoerde klei. De sikkelhaver komt ook voor op en rond de veerpleinen van enkele Westerscheldeveren (met name Kruiningen). Op de groeiplaatsen van de sikkelhaver vindt men ook vaak de overgangsvormen tussen deze soort en de luzerne: de bastaard luzerne (Medicágo vária). &lt;br /&gt;
===Kleine rupsklaver (Medicágo mínima)===&lt;br /&gt;
De meest zeldzame soort van dit geslacht in Zeeland, is de kleine rupsklaver. De kleine rupsklaver is een in Nederland zeldzame plant van graslanden op droge zandige grond, met name in de duinen. Zij kwam vroeger op Walcheren, Schouwen en in Zeeuws-Vlaanderen in de duinen voor; is tegenwoordig op de meeste plaatsen verdwenen. De belangrijkste groeiplaatsen liggen nu op de wallen van Retranchement en rond het Zwin (Zeeuws-Vlaanderen). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
== Auteur ==&lt;br /&gt;
-K.F. Vaas&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[category:Flora]]&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>Jacqueline</name></author>
	</entry>
</feed>