<?xml version="1.0"?>
<feed xmlns="http://www.w3.org/2005/Atom" xml:lang="nl">
	<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?action=history&amp;feed=atom&amp;title=Westerschelde</id>
	<title>Westerschelde - Bewerkingsoverzicht</title>
	<link rel="self" type="application/atom+xml" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?action=history&amp;feed=atom&amp;title=Westerschelde"/>
	<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;action=history"/>
	<updated>2026-05-03T23:45:10Z</updated>
	<subtitle>Bewerkingsoverzicht voor deze pagina op de wiki</subtitle>
	<generator>MediaWiki 1.45.1</generator>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118904&amp;oldid=prev</id>
		<title>W. van Gorsel op 16 jul 2025 om 07:06</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118904&amp;oldid=prev"/>
		<updated>2025-07-16T07:06:05Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;&lt;/p&gt;
&lt;table style=&quot;background-color: #fff; color: #202122;&quot; data-mw=&quot;interface&quot;&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-marker&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-content&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-marker&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-content&quot; /&gt;
				&lt;tr class=&quot;diff-title&quot; lang=&quot;nl&quot;&gt;
				&lt;td colspan=&quot;2&quot; style=&quot;background-color: #fff; color: #202122; text-align: center;&quot;&gt;← Oudere versie&lt;/td&gt;
				&lt;td colspan=&quot;2&quot; style=&quot;background-color: #fff; color: #202122; text-align: center;&quot;&gt;Versie van 16 jul 2025 07:06&lt;/td&gt;
				&lt;/tr&gt;&lt;tr&gt;&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-lineno&quot; id=&quot;mw-diff-left-l1&quot;&gt;Regel 1:&lt;/td&gt;
&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-lineno&quot;&gt;Regel 1:&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot; data-marker=&quot;−&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #ffe49c; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;&lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;{{Infobox&lt;/del&gt;&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-side-added&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot; data-marker=&quot;−&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #ffe49c; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;&lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt; | above      = Westerschelde&lt;/del&gt;&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-side-added&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot; data-marker=&quot;−&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #ffe49c; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;&lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;}}&lt;/del&gt;&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-side-added&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;[[Bestand:Westerschelde1.jpg|thumb|right|300px|Zonsondergang boven de Westerschelde, gezien vanaf de Scheldeboulevard bij restaurant Westbeer. Foto: S. Jasperse, juni 2020. Bron: ZB/Beeldbank Zeeland, rec.nr. 180578]]&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;[[Bestand:Westerschelde1.jpg|thumb|right|300px|Zonsondergang boven de Westerschelde, gezien vanaf de Scheldeboulevard bij restaurant Westbeer. Foto: S. Jasperse, juni 2020. Bron: ZB/Beeldbank Zeeland, rec.nr. 180578]]&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;/table&gt;</summary>
		<author><name>W. van Gorsel</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118903&amp;oldid=prev</id>
		<title>W. van Gorsel: /* Historische geografie en geschiedenis */</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118903&amp;oldid=prev"/>
		<updated>2025-07-16T07:05:35Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;&lt;span class=&quot;autocomment&quot;&gt;Historische geografie en geschiedenis&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;table style=&quot;background-color: #fff; color: #202122;&quot; data-mw=&quot;interface&quot;&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-marker&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-content&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-marker&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-content&quot; /&gt;
				&lt;tr class=&quot;diff-title&quot; lang=&quot;nl&quot;&gt;
				&lt;td colspan=&quot;2&quot; style=&quot;background-color: #fff; color: #202122; text-align: center;&quot;&gt;← Oudere versie&lt;/td&gt;
				&lt;td colspan=&quot;2&quot; style=&quot;background-color: #fff; color: #202122; text-align: center;&quot;&gt;Versie van 16 jul 2025 07:05&lt;/td&gt;
				&lt;/tr&gt;&lt;tr&gt;&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-lineno&quot; id=&quot;mw-diff-left-l17&quot;&gt;Regel 17:&lt;/td&gt;
&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-lineno&quot;&gt;Regel 17:&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;Bij het Haags Verdrag van 1795, waarin ook de inlijving van Staats-Vlaanderen bij Frankrijk werd geregeld, ging de Schelde voorgoed open. Op 20 juli 1814, nog vóór de vereniging van Nederland en België onder één soevereine vorst (koning Willem I), werd Staats-( van nu af aan Zeeuws-)Vlaanderen bij de provincie Zeeland gevoegd. Tijdens de onderhandelingen in de eerste jaren na de Belgische Opstand van 1830, die bij Verdrag van Londen van 1839 een definitieve scheiding teweeg bracht tussen Nederland en België, werden van Belgische zijde de nodige eisen gesteld t.a.v. de Schelde en de gehele linker Scheldeoever. Een en ander leidde toch tot bevestiging van het Nederlands gezag over Zeeuws-Vlaanderen en van de Westerschelde tot een Nederlandse rivier, staande onder Nederlandse soevereiniteit. België verkreeg echter voldoende waarborgen om geen belemmeringen te hoeven duchten voor de scheepvaart en de visserij. Op de Westerschelde werden de bepalingen van het Verdrag van Wenen van 1815 van kracht. In afwijking daarvan werd vastgesteld dat de bebakening en betonning onder gemeenschappelijk toezicht van beide landen zou staan. In 1863 volgde een overeenkomst tot afkoop van de Schelde-tol. Vanwege de grillige loop van de Westerschelde is, naast een bebakening en betonning van de zeegaten en van de rivier, de beloodsing van de zeeschepen van groot belang. Loodspenningen uit de 17e eeuw geven aan dat dit beloodsen toen reeds in zekere mate georganiseerd was. Het Nederlandse loodswezen werd tijdens de Franse Tijd een bestuurszaak, terwijl het Belgische loodswezen in Nederland, in 1842 werd opgericht. Niettegenstaande de in het Tractaat van 1839 aangegeven regelingen, was de werking van de beide loodsdiensten lange tijd niet op elkaar afgestemd en veroorzaakte toen een ware concurrentie om als eerste het te beloodsen schip te bereiken.  &lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;Bij het Haags Verdrag van 1795, waarin ook de inlijving van Staats-Vlaanderen bij Frankrijk werd geregeld, ging de Schelde voorgoed open. Op 20 juli 1814, nog vóór de vereniging van Nederland en België onder één soevereine vorst (koning Willem I), werd Staats-( van nu af aan Zeeuws-)Vlaanderen bij de provincie Zeeland gevoegd. Tijdens de onderhandelingen in de eerste jaren na de Belgische Opstand van 1830, die bij Verdrag van Londen van 1839 een definitieve scheiding teweeg bracht tussen Nederland en België, werden van Belgische zijde de nodige eisen gesteld t.a.v. de Schelde en de gehele linker Scheldeoever. Een en ander leidde toch tot bevestiging van het Nederlands gezag over Zeeuws-Vlaanderen en van de Westerschelde tot een Nederlandse rivier, staande onder Nederlandse soevereiniteit. België verkreeg echter voldoende waarborgen om geen belemmeringen te hoeven duchten voor de scheepvaart en de visserij. Op de Westerschelde werden de bepalingen van het Verdrag van Wenen van 1815 van kracht. In afwijking daarvan werd vastgesteld dat de bebakening en betonning onder gemeenschappelijk toezicht van beide landen zou staan. In 1863 volgde een overeenkomst tot afkoop van de Schelde-tol. Vanwege de grillige loop van de Westerschelde is, naast een bebakening en betonning van de zeegaten en van de rivier, de beloodsing van de zeeschepen van groot belang. Loodspenningen uit de 17e eeuw geven aan dat dit beloodsen toen reeds in zekere mate georganiseerd was. Het Nederlandse loodswezen werd tijdens de Franse Tijd een bestuurszaak, terwijl het Belgische loodswezen in Nederland, in 1842 werd opgericht. Niettegenstaande de in het Tractaat van 1839 aangegeven regelingen, was de werking van de beide loodsdiensten lange tijd niet op elkaar afgestemd en veroorzaakte toen een ware concurrentie om als eerste het te beloodsen schip te bereiken.  &lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot; data-marker=&quot;−&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #ffe49c; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;[[Bestand:&lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;Westerschelde2&lt;/del&gt;.jpg|thumb|left|300px|&lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;Dienstregeling veerverbinding over &lt;/del&gt;de Westerschelde &lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;naar Antwerpen&lt;/del&gt;. &lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;Affiche, 1888, Altorffer collectie&lt;/del&gt;. Bron: ZB/Beeldbank Zeeland, rec.nr. &lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;3100&lt;/del&gt;]]&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot; data-marker=&quot;+&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #a3d3ff; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;[[Bestand:&lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;Westerschelde4&lt;/ins&gt;.jpg|thumb|left|300px|&lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;Gezicht op &lt;/ins&gt;de Westerschelde&lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;, ca. 1890&lt;/ins&gt;. &lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;Prentbriefkaart&lt;/ins&gt;. Bron: ZB/Beeldbank Zeeland, rec.nr. &lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;34765&lt;/ins&gt;]]&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;In het begin van deze eeuw waren de hiervoor gestelde voorzieningen de enige maatregelen die moesten worden genomen om de bevaarbaarheid van de rivier te verzekeren. De natuurlijke diepte van de verschillende drempels in de Westerschelde was toen ongeveer 6.5 à 7 m beneden laag water, zodat grote schepen van die tijd, met opkomend tij, Antwerpen konden bereiken. Als gevolg van de vergroting van de afmetingen en diepgang van de zeeschepen, werd het nodig baggerwerken uit te voeren ter plaatse van de verschillende drempels bovenstrooms van Hansweert. Deze, door de Belgische staat bekostigde, onderhoudsbaggerwerken zijn in 1905 aangevangen op de drempel van Bath en enkele jaren later ook op andere drempels. Pas vanaf 1925 kan er van een jaarlijks onderhoudsbaggerprogramma gesproken worden. Het is nodig gebleken eveneens onderhoudsbaggerwerk uit te voeren benedenstrooms van Hansweert en aan de Scheldemond. Een andere verbetering voor de scheepvaart was de in 1966/67 uitgevoerde inkorting, met ca. 160 m, van de strekdam &amp;#039;het Oude Hoofd&amp;#039;, nabij Walsoorden. Toen deze dam, waarschijnlijk een oude dijknol, in 1574 werd aangelegd, begonnen toentertijd de schorren, waar thans de Wilhelmus- en Kruispolder zijn gelegen, aan te wassen. We zien nu het voorland van deze polders echter afnemen. De intensivering van de onderhoudsbaggerwerken, zowel bij de monding van de Schelde als op de bovenstroomse drempels, hebben bewerkstelligd dat de diepgang van de naar Antwerpen opvarende schepen in de loop der jaren is toegenomen. Zo zelfs, dat in juni 1982 een schip met een grote diepgang Antwerpen heeft kunnen hereiken. Ook blijkt dat de baggerwerken van de laatste jaren de noodzaak tot de, tot voor kort gewenste, tochtafsnijding bij Bath hebben verminderd, zo niet weggenomen. De Belgische wens voor de aanleg van het [[Baalhoekkanaal]] blijft echter nog steeds bestaan. Bij een verdere industriële ontwikkeling van de Linker-Scheldeoever wordt deze ontsluiting nog steeds noodzakelijk geacht. In het voorgaande werd niet verder ingegaan op de be- of herdijkingen van het vnl. tijdens de 80-jarige oorlog nagenoeg volledig geïnundeerde Zeeuws-Vlaanderen. Voor wat betreft het Verdronken Land van Saaftinge kan gesteld worden dat dit gebied, gelet op de opslibbingsfase waarin het verkeert, een sluitstuk zou kunnen zijn van het herwinnen van de toentertijd verloren gegane, bedijkte gronden. Tot in de zestiger jaren bestonden daarvoor nog serieuze gedachten. Afgezien van het feit dat voor deze bedijking instemming van België benodigd is (het gebied fungeert nl. als komberging bij stormvloeden, zodat Scheldeopwaarts dan minder wateroverlast zou kunnen ontstaan) is men de grote waarde gaan inzien van dit voor de natuurwetenschap en het milieu zo belangrijke brakwaterschorrengebied. Buiten het belang voor flora en fauna, is het gebied zeldzaam omdat het een beeld kan geven van een verlandingsproces zoals dat ook op het eind van o.m. de D 11-afzettingsperiode ongestoord heeft kunnen plaatsvinden. We zullen daarvoor echter nog vele jaren moeten wachten, terwijl daarnaast de omstandigheden anders zijn (o.m. geen gesloten kustwal). De ontwikkeling van het grillige, eigen karakter van de (Wester-)Schelde gaat tot op de huidige dag voort. Alhoewel de baggerwerken min of meer regulerend werken op de natuurlijke ontwikkeling van de rivier, blijkt dat deze zich toch niet aan handen laat leggen en in staat is grote veranderingen te bewerkstelligen. Zo was het Middelgat bij Hoedekenskerke tot voor enkele jaren de hoofdvaargeul voor de grote scheepvaart naar en van Antwerpen. Sinds augustus 1980 is daarvoor het Gat van Ossenisse en de Overloop van Hansweert aangewezen. Deze ontwikkeling zette in rond 1945, toen zich een doorbraak in de Overloop van Hansweert ging aftekenen. De onderhoudsbaggerwerken hebben een dusdanige verdieping in de hoofdgeul van de Westerschelde teweeggebracht dat het grote belang van Antwerpen, om door steeds grotere zeeschepen bereikt te kunnen worden, wordt verkregen. Ontegenzeggelijk oefenen deze geulverdiepingen en de toename van de getijvolumina invloed uit op langs de Westerschelde gelegen oeverwerken.&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;In het begin van deze eeuw waren de hiervoor gestelde voorzieningen de enige maatregelen die moesten worden genomen om de bevaarbaarheid van de rivier te verzekeren. De natuurlijke diepte van de verschillende drempels in de Westerschelde was toen ongeveer 6.5 à 7 m beneden laag water, zodat grote schepen van die tijd, met opkomend tij, Antwerpen konden bereiken. Als gevolg van de vergroting van de afmetingen en diepgang van de zeeschepen, werd het nodig baggerwerken uit te voeren ter plaatse van de verschillende drempels bovenstrooms van Hansweert. Deze, door de Belgische staat bekostigde, onderhoudsbaggerwerken zijn in 1905 aangevangen op de drempel van Bath en enkele jaren later ook op andere drempels. Pas vanaf 1925 kan er van een jaarlijks onderhoudsbaggerprogramma gesproken worden. Het is nodig gebleken eveneens onderhoudsbaggerwerk uit te voeren benedenstrooms van Hansweert en aan de Scheldemond. Een andere verbetering voor de scheepvaart was de in 1966/67 uitgevoerde inkorting, met ca. 160 m, van de strekdam &amp;#039;het Oude Hoofd&amp;#039;, nabij Walsoorden. Toen deze dam, waarschijnlijk een oude dijknol, in 1574 werd aangelegd, begonnen toentertijd de schorren, waar thans de Wilhelmus- en Kruispolder zijn gelegen, aan te wassen. We zien nu het voorland van deze polders echter afnemen. De intensivering van de onderhoudsbaggerwerken, zowel bij de monding van de Schelde als op de bovenstroomse drempels, hebben bewerkstelligd dat de diepgang van de naar Antwerpen opvarende schepen in de loop der jaren is toegenomen. Zo zelfs, dat in juni 1982 een schip met een grote diepgang Antwerpen heeft kunnen hereiken. Ook blijkt dat de baggerwerken van de laatste jaren de noodzaak tot de, tot voor kort gewenste, tochtafsnijding bij Bath hebben verminderd, zo niet weggenomen. De Belgische wens voor de aanleg van het [[Baalhoekkanaal]] blijft echter nog steeds bestaan. Bij een verdere industriële ontwikkeling van de Linker-Scheldeoever wordt deze ontsluiting nog steeds noodzakelijk geacht. In het voorgaande werd niet verder ingegaan op de be- of herdijkingen van het vnl. tijdens de 80-jarige oorlog nagenoeg volledig geïnundeerde Zeeuws-Vlaanderen. Voor wat betreft het Verdronken Land van Saaftinge kan gesteld worden dat dit gebied, gelet op de opslibbingsfase waarin het verkeert, een sluitstuk zou kunnen zijn van het herwinnen van de toentertijd verloren gegane, bedijkte gronden. Tot in de zestiger jaren bestonden daarvoor nog serieuze gedachten. Afgezien van het feit dat voor deze bedijking instemming van België benodigd is (het gebied fungeert nl. als komberging bij stormvloeden, zodat Scheldeopwaarts dan minder wateroverlast zou kunnen ontstaan) is men de grote waarde gaan inzien van dit voor de natuurwetenschap en het milieu zo belangrijke brakwaterschorrengebied. Buiten het belang voor flora en fauna, is het gebied zeldzaam omdat het een beeld kan geven van een verlandingsproces zoals dat ook op het eind van o.m. de D 11-afzettingsperiode ongestoord heeft kunnen plaatsvinden. We zullen daarvoor echter nog vele jaren moeten wachten, terwijl daarnaast de omstandigheden anders zijn (o.m. geen gesloten kustwal). De ontwikkeling van het grillige, eigen karakter van de (Wester-)Schelde gaat tot op de huidige dag voort. Alhoewel de baggerwerken min of meer regulerend werken op de natuurlijke ontwikkeling van de rivier, blijkt dat deze zich toch niet aan handen laat leggen en in staat is grote veranderingen te bewerkstelligen. Zo was het Middelgat bij Hoedekenskerke tot voor enkele jaren de hoofdvaargeul voor de grote scheepvaart naar en van Antwerpen. Sinds augustus 1980 is daarvoor het Gat van Ossenisse en de Overloop van Hansweert aangewezen. Deze ontwikkeling zette in rond 1945, toen zich een doorbraak in de Overloop van Hansweert ging aftekenen. De onderhoudsbaggerwerken hebben een dusdanige verdieping in de hoofdgeul van de Westerschelde teweeggebracht dat het grote belang van Antwerpen, om door steeds grotere zeeschepen bereikt te kunnen worden, wordt verkregen. Ontegenzeggelijk oefenen deze geulverdiepingen en de toename van de getijvolumina invloed uit op langs de Westerschelde gelegen oeverwerken.&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;/table&gt;</summary>
		<author><name>W. van Gorsel</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118901&amp;oldid=prev</id>
		<title>W. van Gorsel: /* Historische geografie en geschiedenis */</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118901&amp;oldid=prev"/>
		<updated>2025-07-16T07:02:44Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;&lt;span class=&quot;autocomment&quot;&gt;Historische geografie en geschiedenis&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;table style=&quot;background-color: #fff; color: #202122;&quot; data-mw=&quot;interface&quot;&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-marker&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-content&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-marker&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-content&quot; /&gt;
				&lt;tr class=&quot;diff-title&quot; lang=&quot;nl&quot;&gt;
				&lt;td colspan=&quot;2&quot; style=&quot;background-color: #fff; color: #202122; text-align: center;&quot;&gt;← Oudere versie&lt;/td&gt;
				&lt;td colspan=&quot;2&quot; style=&quot;background-color: #fff; color: #202122; text-align: center;&quot;&gt;Versie van 16 jul 2025 07:02&lt;/td&gt;
				&lt;/tr&gt;&lt;tr&gt;&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-lineno&quot; id=&quot;mw-diff-left-l17&quot;&gt;Regel 17:&lt;/td&gt;
&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-lineno&quot;&gt;Regel 17:&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;Bij het Haags Verdrag van 1795, waarin ook de inlijving van Staats-Vlaanderen bij Frankrijk werd geregeld, ging de Schelde voorgoed open. Op 20 juli 1814, nog vóór de vereniging van Nederland en België onder één soevereine vorst (koning Willem I), werd Staats-( van nu af aan Zeeuws-)Vlaanderen bij de provincie Zeeland gevoegd. Tijdens de onderhandelingen in de eerste jaren na de Belgische Opstand van 1830, die bij Verdrag van Londen van 1839 een definitieve scheiding teweeg bracht tussen Nederland en België, werden van Belgische zijde de nodige eisen gesteld t.a.v. de Schelde en de gehele linker Scheldeoever. Een en ander leidde toch tot bevestiging van het Nederlands gezag over Zeeuws-Vlaanderen en van de Westerschelde tot een Nederlandse rivier, staande onder Nederlandse soevereiniteit. België verkreeg echter voldoende waarborgen om geen belemmeringen te hoeven duchten voor de scheepvaart en de visserij. Op de Westerschelde werden de bepalingen van het Verdrag van Wenen van 1815 van kracht. In afwijking daarvan werd vastgesteld dat de bebakening en betonning onder gemeenschappelijk toezicht van beide landen zou staan. In 1863 volgde een overeenkomst tot afkoop van de Schelde-tol. Vanwege de grillige loop van de Westerschelde is, naast een bebakening en betonning van de zeegaten en van de rivier, de beloodsing van de zeeschepen van groot belang. Loodspenningen uit de 17e eeuw geven aan dat dit beloodsen toen reeds in zekere mate georganiseerd was. Het Nederlandse loodswezen werd tijdens de Franse Tijd een bestuurszaak, terwijl het Belgische loodswezen in Nederland, in 1842 werd opgericht. Niettegenstaande de in het Tractaat van 1839 aangegeven regelingen, was de werking van de beide loodsdiensten lange tijd niet op elkaar afgestemd en veroorzaakte toen een ware concurrentie om als eerste het te beloodsen schip te bereiken.  &lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;Bij het Haags Verdrag van 1795, waarin ook de inlijving van Staats-Vlaanderen bij Frankrijk werd geregeld, ging de Schelde voorgoed open. Op 20 juli 1814, nog vóór de vereniging van Nederland en België onder één soevereine vorst (koning Willem I), werd Staats-( van nu af aan Zeeuws-)Vlaanderen bij de provincie Zeeland gevoegd. Tijdens de onderhandelingen in de eerste jaren na de Belgische Opstand van 1830, die bij Verdrag van Londen van 1839 een definitieve scheiding teweeg bracht tussen Nederland en België, werden van Belgische zijde de nodige eisen gesteld t.a.v. de Schelde en de gehele linker Scheldeoever. Een en ander leidde toch tot bevestiging van het Nederlands gezag over Zeeuws-Vlaanderen en van de Westerschelde tot een Nederlandse rivier, staande onder Nederlandse soevereiniteit. België verkreeg echter voldoende waarborgen om geen belemmeringen te hoeven duchten voor de scheepvaart en de visserij. Op de Westerschelde werden de bepalingen van het Verdrag van Wenen van 1815 van kracht. In afwijking daarvan werd vastgesteld dat de bebakening en betonning onder gemeenschappelijk toezicht van beide landen zou staan. In 1863 volgde een overeenkomst tot afkoop van de Schelde-tol. Vanwege de grillige loop van de Westerschelde is, naast een bebakening en betonning van de zeegaten en van de rivier, de beloodsing van de zeeschepen van groot belang. Loodspenningen uit de 17e eeuw geven aan dat dit beloodsen toen reeds in zekere mate georganiseerd was. Het Nederlandse loodswezen werd tijdens de Franse Tijd een bestuurszaak, terwijl het Belgische loodswezen in Nederland, in 1842 werd opgericht. Niettegenstaande de in het Tractaat van 1839 aangegeven regelingen, was de werking van de beide loodsdiensten lange tijd niet op elkaar afgestemd en veroorzaakte toen een ware concurrentie om als eerste het te beloodsen schip te bereiken.  &lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-side-deleted&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot; data-marker=&quot;+&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #a3d3ff; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;&lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;[[Bestand:Westerschelde2.jpg|thumb|left|300px|Dienstregeling veerverbinding over de Westerschelde naar Antwerpen. Affiche, 1888, Altorffer collectie. Bron: ZB/Beeldbank Zeeland, rec.nr. 3100]]&lt;/ins&gt;&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;In het begin van deze eeuw waren de hiervoor gestelde voorzieningen de enige maatregelen die moesten worden genomen om de bevaarbaarheid van de rivier te verzekeren. De natuurlijke diepte van de verschillende drempels in de Westerschelde was toen ongeveer 6.5 à 7 m beneden laag water, zodat grote schepen van die tijd, met opkomend tij, Antwerpen konden bereiken. Als gevolg van de vergroting van de afmetingen en diepgang van de zeeschepen, werd het nodig baggerwerken uit te voeren ter plaatse van de verschillende drempels bovenstrooms van Hansweert. Deze, door de Belgische staat bekostigde, onderhoudsbaggerwerken zijn in 1905 aangevangen op de drempel van Bath en enkele jaren later ook op andere drempels. Pas vanaf 1925 kan er van een jaarlijks onderhoudsbaggerprogramma gesproken worden. Het is nodig gebleken eveneens onderhoudsbaggerwerk uit te voeren benedenstrooms van Hansweert en aan de Scheldemond. Een andere verbetering voor de scheepvaart was de in 1966/67 uitgevoerde inkorting, met ca. 160 m, van de strekdam &amp;#039;het Oude Hoofd&amp;#039;, nabij Walsoorden. Toen deze dam, waarschijnlijk een oude dijknol, in 1574 werd aangelegd, begonnen toentertijd de schorren, waar thans de Wilhelmus- en Kruispolder zijn gelegen, aan te wassen. We zien nu het voorland van deze polders echter afnemen. De intensivering van de onderhoudsbaggerwerken, zowel bij de monding van de Schelde als op de bovenstroomse drempels, hebben bewerkstelligd dat de diepgang van de naar Antwerpen opvarende schepen in de loop der jaren is toegenomen. Zo zelfs, dat in juni 1982 een schip met een grote diepgang Antwerpen heeft kunnen hereiken. Ook blijkt dat de baggerwerken van de laatste jaren de noodzaak tot de, tot voor kort gewenste, tochtafsnijding bij Bath hebben verminderd, zo niet weggenomen. De Belgische wens voor de aanleg van het [[Baalhoekkanaal]] blijft echter nog steeds bestaan. Bij een verdere industriële ontwikkeling van de Linker-Scheldeoever wordt deze ontsluiting nog steeds noodzakelijk geacht. In het voorgaande werd niet verder ingegaan op de be- of herdijkingen van het vnl. tijdens de 80-jarige oorlog nagenoeg volledig geïnundeerde Zeeuws-Vlaanderen. Voor wat betreft het Verdronken Land van Saaftinge kan gesteld worden dat dit gebied, gelet op de opslibbingsfase waarin het verkeert, een sluitstuk zou kunnen zijn van het herwinnen van de toentertijd verloren gegane, bedijkte gronden. Tot in de zestiger jaren bestonden daarvoor nog serieuze gedachten. Afgezien van het feit dat voor deze bedijking instemming van België benodigd is (het gebied fungeert nl. als komberging bij stormvloeden, zodat Scheldeopwaarts dan minder wateroverlast zou kunnen ontstaan) is men de grote waarde gaan inzien van dit voor de natuurwetenschap en het milieu zo belangrijke brakwaterschorrengebied. Buiten het belang voor flora en fauna, is het gebied zeldzaam omdat het een beeld kan geven van een verlandingsproces zoals dat ook op het eind van o.m. de D 11-afzettingsperiode ongestoord heeft kunnen plaatsvinden. We zullen daarvoor echter nog vele jaren moeten wachten, terwijl daarnaast de omstandigheden anders zijn (o.m. geen gesloten kustwal). De ontwikkeling van het grillige, eigen karakter van de (Wester-)Schelde gaat tot op de huidige dag voort. Alhoewel de baggerwerken min of meer regulerend werken op de natuurlijke ontwikkeling van de rivier, blijkt dat deze zich toch niet aan handen laat leggen en in staat is grote veranderingen te bewerkstelligen. Zo was het Middelgat bij Hoedekenskerke tot voor enkele jaren de hoofdvaargeul voor de grote scheepvaart naar en van Antwerpen. Sinds augustus 1980 is daarvoor het Gat van Ossenisse en de Overloop van Hansweert aangewezen. Deze ontwikkeling zette in rond 1945, toen zich een doorbraak in de Overloop van Hansweert ging aftekenen. De onderhoudsbaggerwerken hebben een dusdanige verdieping in de hoofdgeul van de Westerschelde teweeggebracht dat het grote belang van Antwerpen, om door steeds grotere zeeschepen bereikt te kunnen worden, wordt verkregen. Ontegenzeggelijk oefenen deze geulverdiepingen en de toename van de getijvolumina invloed uit op langs de Westerschelde gelegen oeverwerken.&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;In het begin van deze eeuw waren de hiervoor gestelde voorzieningen de enige maatregelen die moesten worden genomen om de bevaarbaarheid van de rivier te verzekeren. De natuurlijke diepte van de verschillende drempels in de Westerschelde was toen ongeveer 6.5 à 7 m beneden laag water, zodat grote schepen van die tijd, met opkomend tij, Antwerpen konden bereiken. Als gevolg van de vergroting van de afmetingen en diepgang van de zeeschepen, werd het nodig baggerwerken uit te voeren ter plaatse van de verschillende drempels bovenstrooms van Hansweert. Deze, door de Belgische staat bekostigde, onderhoudsbaggerwerken zijn in 1905 aangevangen op de drempel van Bath en enkele jaren later ook op andere drempels. Pas vanaf 1925 kan er van een jaarlijks onderhoudsbaggerprogramma gesproken worden. Het is nodig gebleken eveneens onderhoudsbaggerwerk uit te voeren benedenstrooms van Hansweert en aan de Scheldemond. Een andere verbetering voor de scheepvaart was de in 1966/67 uitgevoerde inkorting, met ca. 160 m, van de strekdam &amp;#039;het Oude Hoofd&amp;#039;, nabij Walsoorden. Toen deze dam, waarschijnlijk een oude dijknol, in 1574 werd aangelegd, begonnen toentertijd de schorren, waar thans de Wilhelmus- en Kruispolder zijn gelegen, aan te wassen. We zien nu het voorland van deze polders echter afnemen. De intensivering van de onderhoudsbaggerwerken, zowel bij de monding van de Schelde als op de bovenstroomse drempels, hebben bewerkstelligd dat de diepgang van de naar Antwerpen opvarende schepen in de loop der jaren is toegenomen. Zo zelfs, dat in juni 1982 een schip met een grote diepgang Antwerpen heeft kunnen hereiken. Ook blijkt dat de baggerwerken van de laatste jaren de noodzaak tot de, tot voor kort gewenste, tochtafsnijding bij Bath hebben verminderd, zo niet weggenomen. De Belgische wens voor de aanleg van het [[Baalhoekkanaal]] blijft echter nog steeds bestaan. Bij een verdere industriële ontwikkeling van de Linker-Scheldeoever wordt deze ontsluiting nog steeds noodzakelijk geacht. In het voorgaande werd niet verder ingegaan op de be- of herdijkingen van het vnl. tijdens de 80-jarige oorlog nagenoeg volledig geïnundeerde Zeeuws-Vlaanderen. Voor wat betreft het Verdronken Land van Saaftinge kan gesteld worden dat dit gebied, gelet op de opslibbingsfase waarin het verkeert, een sluitstuk zou kunnen zijn van het herwinnen van de toentertijd verloren gegane, bedijkte gronden. Tot in de zestiger jaren bestonden daarvoor nog serieuze gedachten. Afgezien van het feit dat voor deze bedijking instemming van België benodigd is (het gebied fungeert nl. als komberging bij stormvloeden, zodat Scheldeopwaarts dan minder wateroverlast zou kunnen ontstaan) is men de grote waarde gaan inzien van dit voor de natuurwetenschap en het milieu zo belangrijke brakwaterschorrengebied. Buiten het belang voor flora en fauna, is het gebied zeldzaam omdat het een beeld kan geven van een verlandingsproces zoals dat ook op het eind van o.m. de D 11-afzettingsperiode ongestoord heeft kunnen plaatsvinden. We zullen daarvoor echter nog vele jaren moeten wachten, terwijl daarnaast de omstandigheden anders zijn (o.m. geen gesloten kustwal). De ontwikkeling van het grillige, eigen karakter van de (Wester-)Schelde gaat tot op de huidige dag voort. Alhoewel de baggerwerken min of meer regulerend werken op de natuurlijke ontwikkeling van de rivier, blijkt dat deze zich toch niet aan handen laat leggen en in staat is grote veranderingen te bewerkstelligen. Zo was het Middelgat bij Hoedekenskerke tot voor enkele jaren de hoofdvaargeul voor de grote scheepvaart naar en van Antwerpen. Sinds augustus 1980 is daarvoor het Gat van Ossenisse en de Overloop van Hansweert aangewezen. Deze ontwikkeling zette in rond 1945, toen zich een doorbraak in de Overloop van Hansweert ging aftekenen. De onderhoudsbaggerwerken hebben een dusdanige verdieping in de hoofdgeul van de Westerschelde teweeggebracht dat het grote belang van Antwerpen, om door steeds grotere zeeschepen bereikt te kunnen worden, wordt verkregen. Ontegenzeggelijk oefenen deze geulverdiepingen en de toename van de getijvolumina invloed uit op langs de Westerschelde gelegen oeverwerken.&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;/table&gt;</summary>
		<author><name>W. van Gorsel</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118900&amp;oldid=prev</id>
		<title>W. van Gorsel: /* Historische geografie en geschiedenis */</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118900&amp;oldid=prev"/>
		<updated>2025-07-16T07:00:25Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;&lt;span class=&quot;autocomment&quot;&gt;Historische geografie en geschiedenis&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;a href=&quot;https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;amp;diff=118900&amp;amp;oldid=118899&quot;&gt;Wijzigingen bekijken&lt;/a&gt;</summary>
		<author><name>W. van Gorsel</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118899&amp;oldid=prev</id>
		<title>W. van Gorsel: /* Historische geografie en geschiedenis */</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118899&amp;oldid=prev"/>
		<updated>2025-07-16T06:57:32Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;&lt;span class=&quot;autocomment&quot;&gt;Historische geografie en geschiedenis&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;a href=&quot;https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;amp;diff=118899&amp;amp;oldid=118898&quot;&gt;Wijzigingen bekijken&lt;/a&gt;</summary>
		<author><name>W. van Gorsel</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118898&amp;oldid=prev</id>
		<title>W. van Gorsel op 16 jul 2025 om 06:57</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118898&amp;oldid=prev"/>
		<updated>2025-07-16T06:57:11Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;&lt;/p&gt;
&lt;a href=&quot;https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;amp;diff=118898&amp;amp;oldid=118896&quot;&gt;Wijzigingen bekijken&lt;/a&gt;</summary>
		<author><name>W. van Gorsel</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118896&amp;oldid=prev</id>
		<title>W. van Gorsel: /* Historische geografie en geschiedenis */</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118896&amp;oldid=prev"/>
		<updated>2025-07-16T06:54:14Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;&lt;span class=&quot;autocomment&quot;&gt;Historische geografie en geschiedenis&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;a href=&quot;https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;amp;diff=118896&amp;amp;oldid=118895&quot;&gt;Wijzigingen bekijken&lt;/a&gt;</summary>
		<author><name>W. van Gorsel</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118895&amp;oldid=prev</id>
		<title>W. van Gorsel: /* Historische geografie en geschiedenis */</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118895&amp;oldid=prev"/>
		<updated>2025-07-15T09:20:01Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;&lt;span class=&quot;autocomment&quot;&gt;Historische geografie en geschiedenis&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;table style=&quot;background-color: #fff; color: #202122;&quot; data-mw=&quot;interface&quot;&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-marker&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-content&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-marker&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-content&quot; /&gt;
				&lt;tr class=&quot;diff-title&quot; lang=&quot;nl&quot;&gt;
				&lt;td colspan=&quot;2&quot; style=&quot;background-color: #fff; color: #202122; text-align: center;&quot;&gt;← Oudere versie&lt;/td&gt;
				&lt;td colspan=&quot;2&quot; style=&quot;background-color: #fff; color: #202122; text-align: center;&quot;&gt;Versie van 15 jul 2025 09:20&lt;/td&gt;
				&lt;/tr&gt;&lt;tr&gt;&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-lineno&quot; id=&quot;mw-diff-left-l8&quot;&gt;Regel 8:&lt;/td&gt;
&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-lineno&quot;&gt;Regel 8:&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;==Historische geografie en geschiedenis==&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;==Historische geografie en geschiedenis==&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot; data-marker=&quot;−&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #ffe49c; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;[[Bestand:Westerschelde2.jpg|thumb|&lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;right&lt;/del&gt;|300px|Dienstregeling veerverbinding over de Westerschelde naar Antwerpen. Affiche, 1888, Altorffer collectie. Bron: ZB/Beeldbank Zeeland, rec.nr. 3100]]&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot; data-marker=&quot;+&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #a3d3ff; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;[[Bestand:Westerschelde2.jpg|thumb|&lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;left&lt;/ins&gt;|300px|Dienstregeling veerverbinding over de Westerschelde naar Antwerpen. Affiche, 1888, Altorffer collectie. Bron: ZB/Beeldbank Zeeland, rec.nr. 3100]]&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;Over de ontwikkeling van de [[Honte]] of Westerschelde als zeearm en uitmonding van de [[Schelde]] in de Noordzee zullen zeer zeker t.a.v. de periode voor 1500, onzekerheden blijven bestaan. Als gevolg van verdergaande onderzoekingen wordt het echter mogelijk een steeds beter beeld van deze ontwikkeling te schetsen. In aanvulling op archiefonderzoek is door het geologisch en bodemkundig onderzoek van de laatste decennia een grotere duidelijkheid over de historisch-geografische ontwikkeling van Zeeland gekomen. De daarbij voor de historische tijd vermelde regressies (verminderde zeeïnvloed door verlaagd zeeniveau) en transgressies (verhevigde zeeïnvloed door verhoogd zeeniveau) dienen, voor een goed begrip, gezien te worden als perioden waarbij de voor onze kust aanwezige strandwal resp. gesloten of doorbroken was. Alhoewel het uiteindelijke effect (afzettingen) gelijk is, zou een transgressieperiode het gebied volledig met water hebben bedekt, terwijl bij een doorbroken kustwal, door de invloeden van (spring-)tijen en stormvloeden, het gebied op onregelmatige tijden kon overstromen. Zo’n gesloten kustwas had op enkele plaatsen openingen waardoor het water van de op het gebied achter deze was uitmondende rivieren naar zee kon worden afgevoerd. Door de in zo’n gebied aanwezige brak- of zoetwateromgeving kon zich hier een veendek gaan ontwikkelen met daarin voorkomende afwateringsgeulen. Wanneer zo’n strand- of kustwal (bijv. ten gevolge van stormvloeden) doorbrak kwam het erachter liggende veengebied onder de directe invloed van het zeewater, waardoor springtij en stormvloeden zich konden doen gelden. Door verzouting van het water stopte de veengroei en door de in het veendek aanwezige afwateringsgeulen kon de zee zijn verdere verwoestende invloed op het gebied uitoefenen. Na verloop van tijd werd het veendek en de tussenliggende geulen bedekt met afzettingen van kleien en zanden. Wanneer de doorbraak in de kustwal zich weer ging vernauwen of sloot, verminderde of verdween de invloed van de (spring-)tijen en stormvloeden. De inmiddels hoog opgeslibde gronden konden daardoor, zonder een verdere bescherming van kaden of dijken, zelfs bewoond worden (zo worden momenteel, bij een open Westerschelde, de hoge gedeelten van het Verdronken land van Saeftinghe nog slechts bij hoge stormvloeden overstroomd). Achter zo’n weer gesloten kustwal ontstond na verloop van tijd weer een brak- of zoetwateromgeving waardoor de veengroei zich opnieuw kon gaan ontwikkelen. Daar Duinkerke I afzettingen (tijdens de zg. transgressieperiode van ca. 500 v. Chr. Tot ca. 200 n. Chr.) slechts op (noord) Walcheren zijn aangetoond, kan met grotere zekerheid worden gesteld dat Zeeland rond het begin van onze jaartelling nog een vrijwel gesloten veendek moet hebben gekend. Alhoewel Caesar in 52 v. Chr. (De Bello Gallico V, 33) vermeldt dat de Schelde (Scaldim) in de Maas uitstroomt (mogelijk gebeurde dit via de Striene), mag verondersteld worden dat de Schelde toen reeds tussen Walcheren en Schouwen een uitmonding in de Noordzee had. Deze lag ten noorden van de op Walcheren aangetoonde D I-afzettingen, die konden plaatsvinden als gevolg van directe zeeïnvloed van de daar aanwezige (en vergrote) opening in de kustwal. Voorts geven de reeds in de 17&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw vóór de kust van Domburg en de in 1970, ten noorden van Colijnsplaat, in de Oosterschelde aangetoonde resten van Nehalenniaheiligdommen aan, dat dit gebied een belangrijke schakel vormde in het Romeinse handelsverkeer met Britannië. Daar voor dit handelsverkeer een aanvoerweg met het achterland aanwezig geweest moet zijn, was dit zeer waarschijnlijk de (later aangetoonde) Schelde. Op grond van geologisch, bodemkundig en archeologisch onderzoek wordt voor de Romeinse rijd een vrij intensieve bewoning aangetoond, vooral op Walcheren maar ook in andere gebieden van Zeeland. Het verdwijnen van deze bewoning tegen het einde van de 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw na Chr. zal voornamelijk veroorzaakt zijn door grote doorbraken van de kustwal, zeer waarschijnlijk als gevolg van stormvloeden. Hierdoor kreeg de zee hoe langer hoe meer vat op het achterliggende veendek, dat door menselijke invloeden, zoals ontwatering, veenbranden en akkerbouw, een verlaging van het maaiveld moet hebben gekend. Er ontstonden diepe kreken die tot ver in het achterland reikten. De van ca. 300 tot ca. 700 na Chr. op het veendek en de daartussen liggende kreken aangevoerde Duinkerke II –afzettingen zijn in nagenoeg het gehele Zeeuwse gebied aangetoond, met uitzondering van de duinstreek, de hooggelegen dekzanden in het zuiden van Zeeuws-Vlaanderen en het gebied ten oosten van de dekzandrug die in de ondergrond van Hulst tot in het land van Saeftinghe loopt. Deze rug (die ook noorderlijker doorliep) heeft verhinderd dat de Schelde daar in een vroeg stadium een westelijke richting kon nemen, zodat deze rivier toen langs Bergen op Zoom stroomde. Verder van de zeekust verwijderd zijn de D II-afzettingen geringer geweest. Zowel in Zuid-Beveland als in Oost Zeeuws-Vlaanderen zijn ten oosten van Kruiningen en het gebied van Ossenisse slechts geringe sporen van deze afzettingen gevonden. Dit zou er op kunnen duiden dat daar de zeeïnvloed via de (Ooster-)Schelde gering of niet aanwezig geweest is en de westelijke afstroming van Scheldewater, via de Honte, in een later tijdvak gesteld dient te worden. Mogelijk was de in oostelijke richting stromende Honte, die bij het later vermelde Hontemude (tenover Ossendrecht) in de Schelde uitmondde, toen reeds aanwezig. De in de loop van eeuwen afgezette kleien en zanden verkregen een dusdanige hoogte dat slechts bij bijzondere stormvloeden een beïnvloeding door de zee kon plaatsvinden. Zeer waarschijnlijk door een (gedeeltelijke) sluiting van de kustwal verdween ook deze invloed, zodat het met kreken doorsneden schorrengebied, zonder verdere bescherming van kaden of dijken, bewoond kon worden. Naast de in die periode gevormde Sincfal, het latere Zwin, die in de 9&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw wordt vermeld als grens tussen het Friese en Vlaamse gebied, zal toen ook een aanzet gegeven zijn tot de vorming van de huidige Scheldemonding. De vanaf de 8&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw weer mogelijke bewoning, die door een enkele bron bevestigd wordt, zal tot de 10&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw gering geweest zijn. Vanaf die tijd zijn verscheidene schriftelijke vermeldingen beschikbaar, waardoor op diverse plaatsen in het Zeeuwse bewoning wordt aangetoond. Vanaf ca. 900 na Chr. worden Duinkerke III-afzettingen aangegeven. Daar het gebied bewoond, maar toen (zeer waarschijnlijk) nog niet door kaden of dijken beschermd was, zal deze D III-periode een gevolg zijn geweest van nieuwe doorbraken van de kustwal. Alhoewel de invloed van één bijzondere stormvloed niet onderschat mag worden, zal de inwerking van de (spring-)getijden en stormvloeden, als gevolg van deze doorbraken, zich slechts langzamerhand tot in het achterland hebben voortgezet. In eerste instantie zullen de bewoners zich tegen de invloed van bijzondere stormvloeden hebben beschermd door het opwerkpen van kunstmatige hoogten, vliedbergen. Nadien zal men zich tegen de veelvuldiger beïnvloeding van de zee door kaden of dijken zijn gaan beschermen. De oudst bekende dijknamen zijn dicht bij de Noordzee aangetoond, zoals Isendic in 984 (?) en 1046 en Tubindic in 1025, terwijl de vele vermeldingen van dijknamen in overig Zeeland vrij kort na de stormvloed van 1134 voorkomen. Dit zou kunnen betekenen dat vanaf de 9&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw in eerste instantie heb gebied vlak achter de doorbroken kustwal door de zee beïnvloed werd, met nawerking in het achterland. Latere stormvloeden, zoals die van 1014, 1042 en 1134, hebben vervolgens de directe zeeïnvloed tot in het achterland bewerkstelligd. Verondersteld wordt dat de stormvloed van 1134 in het noordelijk deel van Vlaanderen en in Zeeland ernstige vernielingen heeft aangericht en waarschijnlijk brede geulen deed ontstaan tussen Walcheren en Noord- en Zuid-Beveland, terwijl de Honte (Westerschelde) zodanig verwijdde, dat deze vanaf het eind van de 12&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw als ‘zee’ werd aangeduid. Ook zijn er sterke aanwijzingen voor een uitbreiding van de (Ooster)-Schelde. De afzettingen uit deze periode bestaan in West Zeeuws-Vlaanderen uit opwassen, zoals het ‘eiland van Cadzand’ en het gebied ten noorden van Groede. In Oost Zeeuws-Vlaanderen bestaan deze uit krekenstelsels met daarbij behorende kombergingsafzettingen. Daar de hooggelegen D II-afzettingen ten westen en direct ten oosten van Terneuzen (en gedeeltelijk ook in Zuid-Beveland) in deze periode niet of in geringe mate werden aangetast, zou verondersteld kunnen worden dat de zeeïnvloed op het Oost Zeeuws-Vlaamse deel voornamelijk moet hebben plaatsgevonden via in Zuid-Beveland gelegen geulen en (misschien in mindere mate) via de oostelijk gelegen Schelde. Een van deze in Zuid-Beveland gelegen geulen zal de Zwake geweest zijn. De bovengenoemde, hooggelegen D II-afzettingen vormden mogelijk een soort drempel tussen het westelijk en oostelijk deel van de huidige Westerschelde. Dit zou dan ook kunnen verklaren dat de Honte in oostelijke richting stroomde en daar in de Schelde uitmondde. Dit komt tot uiting in de vermelding van de naam Hontemude in een stuk van 1161, waarin sprake is van een visserij bij de Agger tegenover Ossendrecht. Voorts blijkt dit ook uit de keur van Zeeland van 1290, waarin gesteld wrodt dat Zeeland lag ‘tussen Keadsant en Grevenisse, Hontemude ende die zee’. Rond 1200 zal de Honte derhalve nog niet gefungeerd hebben voor de afvoer van Scheldewater naar de Noordzee. Zeer waarschijnlijk zal er toen wel al, via een krekengebied, verbinding in westelijke richting zijn geweest. De Schelde (Scaldis) stroomde toen nog langs Bergen op Zoom en vervolgde zijn weg in westelijke richting naar de Noordzee. Aan de noordzijde lag de gouw (pagus) Scaldis, die reeds in een oorkonde van 976/7 genoemd wordt. De naam van het in deze gouw gelegen eiland Schouwen is daarvan afgeleid. Zeeland werd van oudsher verdeeld in Bewesten Schelde en Beoosten Schelde. Zoals uit de benamingen valt op te maken fungeerde de (Ooster-)Schelde hier als grens. Daar door de Staten van Zeeland in 1606 verklaard werd en ook Smallegange spreekt van ‘het Faal of d’oude Schelde’, zal de rivierin het verleden gestroomd hebben tussen Noord-Beveland en de ten noorden daarvan gelegen plaat Worighesant (Orisant), waar later het Faal stroomde. Het moet eertijds een smal vaarwater geweest zijn, waar men elkaar kon aanroepen. Ten noorden van Orisant ontwikkelde zich een zijarm van de Schelde, waarvan de stroom zich in hoofdzaak op de zuidelijke oever van Schouwen ging richten. Alhoewel men zich door het leggen van inlagen trachtte te beschermen, kon niet voorkomen worden dat tussen 1400 en 1600 de zuidelijke kust van Schouwen ca. 4 km noordelijker is komen te liggen, waardoor ca. 3000 ha. Grond moest worden prijsgegeven. De Oosterschelde veranderde langzamerhand in een wijde zeearm, o.m. als gevolg van de stormvloeden van 1530 en 1532. Men zou hieruit kunnen concluderen dat de Oosterschelde daardoor als scheepvaartweg in belangrijkheid zou toenemen. De ontwikkeling van de Honte tot uiteindelijke Scheldemonding verhinderde dit, als gevolg van verondiepingen ter plaatse van de splitsing van de Schelde in een Ooster- en Westerschelde.&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;Over de ontwikkeling van de [[Honte]] of Westerschelde als zeearm en uitmonding van de [[Schelde]] in de Noordzee zullen zeer zeker t.a.v. de periode voor 1500, onzekerheden blijven bestaan. Als gevolg van verdergaande onderzoekingen wordt het echter mogelijk een steeds beter beeld van deze ontwikkeling te schetsen. In aanvulling op archiefonderzoek is door het geologisch en bodemkundig onderzoek van de laatste decennia een grotere duidelijkheid over de historisch-geografische ontwikkeling van Zeeland gekomen. De daarbij voor de historische tijd vermelde regressies (verminderde zeeïnvloed door verlaagd zeeniveau) en transgressies (verhevigde zeeïnvloed door verhoogd zeeniveau) dienen, voor een goed begrip, gezien te worden als perioden waarbij de voor onze kust aanwezige strandwal resp. gesloten of doorbroken was. Alhoewel het uiteindelijke effect (afzettingen) gelijk is, zou een transgressieperiode het gebied volledig met water hebben bedekt, terwijl bij een doorbroken kustwal, door de invloeden van (spring-)tijen en stormvloeden, het gebied op onregelmatige tijden kon overstromen. Zo’n gesloten kustwas had op enkele plaatsen openingen waardoor het water van de op het gebied achter deze was uitmondende rivieren naar zee kon worden afgevoerd. Door de in zo’n gebied aanwezige brak- of zoetwateromgeving kon zich hier een veendek gaan ontwikkelen met daarin voorkomende afwateringsgeulen. Wanneer zo’n strand- of kustwal (bijv. ten gevolge van stormvloeden) doorbrak kwam het erachter liggende veengebied onder de directe invloed van het zeewater, waardoor springtij en stormvloeden zich konden doen gelden. Door verzouting van het water stopte de veengroei en door de in het veendek aanwezige afwateringsgeulen kon de zee zijn verdere verwoestende invloed op het gebied uitoefenen. Na verloop van tijd werd het veendek en de tussenliggende geulen bedekt met afzettingen van kleien en zanden. Wanneer de doorbraak in de kustwal zich weer ging vernauwen of sloot, verminderde of verdween de invloed van de (spring-)tijen en stormvloeden. De inmiddels hoog opgeslibde gronden konden daardoor, zonder een verdere bescherming van kaden of dijken, zelfs bewoond worden (zo worden momenteel, bij een open Westerschelde, de hoge gedeelten van het Verdronken land van Saeftinghe nog slechts bij hoge stormvloeden overstroomd). Achter zo’n weer gesloten kustwal ontstond na verloop van tijd weer een brak- of zoetwateromgeving waardoor de veengroei zich opnieuw kon gaan ontwikkelen. Daar Duinkerke I afzettingen (tijdens de zg. transgressieperiode van ca. 500 v. Chr. Tot ca. 200 n. Chr.) slechts op (noord) Walcheren zijn aangetoond, kan met grotere zekerheid worden gesteld dat Zeeland rond het begin van onze jaartelling nog een vrijwel gesloten veendek moet hebben gekend. Alhoewel Caesar in 52 v. Chr. (De Bello Gallico V, 33) vermeldt dat de Schelde (Scaldim) in de Maas uitstroomt (mogelijk gebeurde dit via de Striene), mag verondersteld worden dat de Schelde toen reeds tussen Walcheren en Schouwen een uitmonding in de Noordzee had. Deze lag ten noorden van de op Walcheren aangetoonde D I-afzettingen, die konden plaatsvinden als gevolg van directe zeeïnvloed van de daar aanwezige (en vergrote) opening in de kustwal. Voorts geven de reeds in de 17&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw vóór de kust van Domburg en de in 1970, ten noorden van Colijnsplaat, in de Oosterschelde aangetoonde resten van Nehalenniaheiligdommen aan, dat dit gebied een belangrijke schakel vormde in het Romeinse handelsverkeer met Britannië. Daar voor dit handelsverkeer een aanvoerweg met het achterland aanwezig geweest moet zijn, was dit zeer waarschijnlijk de (later aangetoonde) Schelde. Op grond van geologisch, bodemkundig en archeologisch onderzoek wordt voor de Romeinse rijd een vrij intensieve bewoning aangetoond, vooral op Walcheren maar ook in andere gebieden van Zeeland. Het verdwijnen van deze bewoning tegen het einde van de 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw na Chr. zal voornamelijk veroorzaakt zijn door grote doorbraken van de kustwal, zeer waarschijnlijk als gevolg van stormvloeden. Hierdoor kreeg de zee hoe langer hoe meer vat op het achterliggende veendek, dat door menselijke invloeden, zoals ontwatering, veenbranden en akkerbouw, een verlaging van het maaiveld moet hebben gekend. Er ontstonden diepe kreken die tot ver in het achterland reikten. De van ca. 300 tot ca. 700 na Chr. op het veendek en de daartussen liggende kreken aangevoerde Duinkerke II –afzettingen zijn in nagenoeg het gehele Zeeuwse gebied aangetoond, met uitzondering van de duinstreek, de hooggelegen dekzanden in het zuiden van Zeeuws-Vlaanderen en het gebied ten oosten van de dekzandrug die in de ondergrond van Hulst tot in het land van Saeftinghe loopt. Deze rug (die ook noorderlijker doorliep) heeft verhinderd dat de Schelde daar in een vroeg stadium een westelijke richting kon nemen, zodat deze rivier toen langs Bergen op Zoom stroomde. Verder van de zeekust verwijderd zijn de D II-afzettingen geringer geweest. Zowel in Zuid-Beveland als in Oost Zeeuws-Vlaanderen zijn ten oosten van Kruiningen en het gebied van Ossenisse slechts geringe sporen van deze afzettingen gevonden. Dit zou er op kunnen duiden dat daar de zeeïnvloed via de (Ooster-)Schelde gering of niet aanwezig geweest is en de westelijke afstroming van Scheldewater, via de Honte, in een later tijdvak gesteld dient te worden. Mogelijk was de in oostelijke richting stromende Honte, die bij het later vermelde Hontemude (tenover Ossendrecht) in de Schelde uitmondde, toen reeds aanwezig. De in de loop van eeuwen afgezette kleien en zanden verkregen een dusdanige hoogte dat slechts bij bijzondere stormvloeden een beïnvloeding door de zee kon plaatsvinden. Zeer waarschijnlijk door een (gedeeltelijke) sluiting van de kustwal verdween ook deze invloed, zodat het met kreken doorsneden schorrengebied, zonder verdere bescherming van kaden of dijken, bewoond kon worden. Naast de in die periode gevormde Sincfal, het latere Zwin, die in de 9&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw wordt vermeld als grens tussen het Friese en Vlaamse gebied, zal toen ook een aanzet gegeven zijn tot de vorming van de huidige Scheldemonding. De vanaf de 8&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw weer mogelijke bewoning, die door een enkele bron bevestigd wordt, zal tot de 10&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw gering geweest zijn. Vanaf die tijd zijn verscheidene schriftelijke vermeldingen beschikbaar, waardoor op diverse plaatsen in het Zeeuwse bewoning wordt aangetoond. Vanaf ca. 900 na Chr. worden Duinkerke III-afzettingen aangegeven. Daar het gebied bewoond, maar toen (zeer waarschijnlijk) nog niet door kaden of dijken beschermd was, zal deze D III-periode een gevolg zijn geweest van nieuwe doorbraken van de kustwal. Alhoewel de invloed van één bijzondere stormvloed niet onderschat mag worden, zal de inwerking van de (spring-)getijden en stormvloeden, als gevolg van deze doorbraken, zich slechts langzamerhand tot in het achterland hebben voortgezet. In eerste instantie zullen de bewoners zich tegen de invloed van bijzondere stormvloeden hebben beschermd door het opwerkpen van kunstmatige hoogten, vliedbergen. Nadien zal men zich tegen de veelvuldiger beïnvloeding van de zee door kaden of dijken zijn gaan beschermen. De oudst bekende dijknamen zijn dicht bij de Noordzee aangetoond, zoals Isendic in 984 (?) en 1046 en Tubindic in 1025, terwijl de vele vermeldingen van dijknamen in overig Zeeland vrij kort na de stormvloed van 1134 voorkomen. Dit zou kunnen betekenen dat vanaf de 9&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw in eerste instantie heb gebied vlak achter de doorbroken kustwal door de zee beïnvloed werd, met nawerking in het achterland. Latere stormvloeden, zoals die van 1014, 1042 en 1134, hebben vervolgens de directe zeeïnvloed tot in het achterland bewerkstelligd. Verondersteld wordt dat de stormvloed van 1134 in het noordelijk deel van Vlaanderen en in Zeeland ernstige vernielingen heeft aangericht en waarschijnlijk brede geulen deed ontstaan tussen Walcheren en Noord- en Zuid-Beveland, terwijl de Honte (Westerschelde) zodanig verwijdde, dat deze vanaf het eind van de 12&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw als ‘zee’ werd aangeduid. Ook zijn er sterke aanwijzingen voor een uitbreiding van de (Ooster)-Schelde. De afzettingen uit deze periode bestaan in West Zeeuws-Vlaanderen uit opwassen, zoals het ‘eiland van Cadzand’ en het gebied ten noorden van Groede. In Oost Zeeuws-Vlaanderen bestaan deze uit krekenstelsels met daarbij behorende kombergingsafzettingen. Daar de hooggelegen D II-afzettingen ten westen en direct ten oosten van Terneuzen (en gedeeltelijk ook in Zuid-Beveland) in deze periode niet of in geringe mate werden aangetast, zou verondersteld kunnen worden dat de zeeïnvloed op het Oost Zeeuws-Vlaamse deel voornamelijk moet hebben plaatsgevonden via in Zuid-Beveland gelegen geulen en (misschien in mindere mate) via de oostelijk gelegen Schelde. Een van deze in Zuid-Beveland gelegen geulen zal de Zwake geweest zijn. De bovengenoemde, hooggelegen D II-afzettingen vormden mogelijk een soort drempel tussen het westelijk en oostelijk deel van de huidige Westerschelde. Dit zou dan ook kunnen verklaren dat de Honte in oostelijke richting stroomde en daar in de Schelde uitmondde. Dit komt tot uiting in de vermelding van de naam Hontemude in een stuk van 1161, waarin sprake is van een visserij bij de Agger tegenover Ossendrecht. Voorts blijkt dit ook uit de keur van Zeeland van 1290, waarin gesteld wrodt dat Zeeland lag ‘tussen Keadsant en Grevenisse, Hontemude ende die zee’. Rond 1200 zal de Honte derhalve nog niet gefungeerd hebben voor de afvoer van Scheldewater naar de Noordzee. Zeer waarschijnlijk zal er toen wel al, via een krekengebied, verbinding in westelijke richting zijn geweest. De Schelde (Scaldis) stroomde toen nog langs Bergen op Zoom en vervolgde zijn weg in westelijke richting naar de Noordzee. Aan de noordzijde lag de gouw (pagus) Scaldis, die reeds in een oorkonde van 976/7 genoemd wordt. De naam van het in deze gouw gelegen eiland Schouwen is daarvan afgeleid. Zeeland werd van oudsher verdeeld in Bewesten Schelde en Beoosten Schelde. Zoals uit de benamingen valt op te maken fungeerde de (Ooster-)Schelde hier als grens. Daar door de Staten van Zeeland in 1606 verklaard werd en ook Smallegange spreekt van ‘het Faal of d’oude Schelde’, zal de rivierin het verleden gestroomd hebben tussen Noord-Beveland en de ten noorden daarvan gelegen plaat Worighesant (Orisant), waar later het Faal stroomde. Het moet eertijds een smal vaarwater geweest zijn, waar men elkaar kon aanroepen. Ten noorden van Orisant ontwikkelde zich een zijarm van de Schelde, waarvan de stroom zich in hoofdzaak op de zuidelijke oever van Schouwen ging richten. Alhoewel men zich door het leggen van inlagen trachtte te beschermen, kon niet voorkomen worden dat tussen 1400 en 1600 de zuidelijke kust van Schouwen ca. 4 km noordelijker is komen te liggen, waardoor ca. 3000 ha. Grond moest worden prijsgegeven. De Oosterschelde veranderde langzamerhand in een wijde zeearm, o.m. als gevolg van de stormvloeden van 1530 en 1532. Men zou hieruit kunnen concluderen dat de Oosterschelde daardoor als scheepvaartweg in belangrijkheid zou toenemen. De ontwikkeling van de Honte tot uiteindelijke Scheldemonding verhinderde dit, als gevolg van verondiepingen ter plaatse van de splitsing van de Schelde in een Ooster- en Westerschelde.&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;/table&gt;</summary>
		<author><name>W. van Gorsel</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118894&amp;oldid=prev</id>
		<title>W. van Gorsel: /* Historische geografie en geschiedenis */</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118894&amp;oldid=prev"/>
		<updated>2025-07-15T09:19:44Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;&lt;span class=&quot;autocomment&quot;&gt;Historische geografie en geschiedenis&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;table style=&quot;background-color: #fff; color: #202122;&quot; data-mw=&quot;interface&quot;&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-marker&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-content&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-marker&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-content&quot; /&gt;
				&lt;tr class=&quot;diff-title&quot; lang=&quot;nl&quot;&gt;
				&lt;td colspan=&quot;2&quot; style=&quot;background-color: #fff; color: #202122; text-align: center;&quot;&gt;← Oudere versie&lt;/td&gt;
				&lt;td colspan=&quot;2&quot; style=&quot;background-color: #fff; color: #202122; text-align: center;&quot;&gt;Versie van 15 jul 2025 09:19&lt;/td&gt;
				&lt;/tr&gt;&lt;tr&gt;&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-lineno&quot; id=&quot;mw-diff-left-l8&quot;&gt;Regel 8:&lt;/td&gt;
&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-lineno&quot;&gt;Regel 8:&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;==Historische geografie en geschiedenis==&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;==Historische geografie en geschiedenis==&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot; data-marker=&quot;−&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #ffe49c; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;[[Bestand:&lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;Westerschelde1&lt;/del&gt;.jpg|thumb|right|300px|&lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;Zonsondergang boven &lt;/del&gt;de Westerschelde, &lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;gezien vanaf de Scheldeboulevard bij restaurant Westbeer. Foto: S. Jasperse&lt;/del&gt;, &lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;juni 2020&lt;/del&gt;. Bron: ZB/Beeldbank Zeeland, rec.nr. &lt;del style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;180578&lt;/del&gt;]]&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot; data-marker=&quot;+&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #a3d3ff; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;[[Bestand:&lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;Westerschelde2&lt;/ins&gt;.jpg|thumb|right|300px|&lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;Dienstregeling veerverbinding over &lt;/ins&gt;de Westerschelde &lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;naar Antwerpen. Affiche&lt;/ins&gt;, &lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;1888&lt;/ins&gt;, &lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;Altorffer collectie&lt;/ins&gt;. Bron: ZB/Beeldbank Zeeland, rec.nr. &lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;3100&lt;/ins&gt;]]&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;Over de ontwikkeling van de [[Honte]] of Westerschelde als zeearm en uitmonding van de [[Schelde]] in de Noordzee zullen zeer zeker t.a.v. de periode voor 1500, onzekerheden blijven bestaan. Als gevolg van verdergaande onderzoekingen wordt het echter mogelijk een steeds beter beeld van deze ontwikkeling te schetsen. In aanvulling op archiefonderzoek is door het geologisch en bodemkundig onderzoek van de laatste decennia een grotere duidelijkheid over de historisch-geografische ontwikkeling van Zeeland gekomen. De daarbij voor de historische tijd vermelde regressies (verminderde zeeïnvloed door verlaagd zeeniveau) en transgressies (verhevigde zeeïnvloed door verhoogd zeeniveau) dienen, voor een goed begrip, gezien te worden als perioden waarbij de voor onze kust aanwezige strandwal resp. gesloten of doorbroken was. Alhoewel het uiteindelijke effect (afzettingen) gelijk is, zou een transgressieperiode het gebied volledig met water hebben bedekt, terwijl bij een doorbroken kustwal, door de invloeden van (spring-)tijen en stormvloeden, het gebied op onregelmatige tijden kon overstromen. Zo’n gesloten kustwas had op enkele plaatsen openingen waardoor het water van de op het gebied achter deze was uitmondende rivieren naar zee kon worden afgevoerd. Door de in zo’n gebied aanwezige brak- of zoetwateromgeving kon zich hier een veendek gaan ontwikkelen met daarin voorkomende afwateringsgeulen. Wanneer zo’n strand- of kustwal (bijv. ten gevolge van stormvloeden) doorbrak kwam het erachter liggende veengebied onder de directe invloed van het zeewater, waardoor springtij en stormvloeden zich konden doen gelden. Door verzouting van het water stopte de veengroei en door de in het veendek aanwezige afwateringsgeulen kon de zee zijn verdere verwoestende invloed op het gebied uitoefenen. Na verloop van tijd werd het veendek en de tussenliggende geulen bedekt met afzettingen van kleien en zanden. Wanneer de doorbraak in de kustwal zich weer ging vernauwen of sloot, verminderde of verdween de invloed van de (spring-)tijen en stormvloeden. De inmiddels hoog opgeslibde gronden konden daardoor, zonder een verdere bescherming van kaden of dijken, zelfs bewoond worden (zo worden momenteel, bij een open Westerschelde, de hoge gedeelten van het Verdronken land van Saeftinghe nog slechts bij hoge stormvloeden overstroomd). Achter zo’n weer gesloten kustwal ontstond na verloop van tijd weer een brak- of zoetwateromgeving waardoor de veengroei zich opnieuw kon gaan ontwikkelen. Daar Duinkerke I afzettingen (tijdens de zg. transgressieperiode van ca. 500 v. Chr. Tot ca. 200 n. Chr.) slechts op (noord) Walcheren zijn aangetoond, kan met grotere zekerheid worden gesteld dat Zeeland rond het begin van onze jaartelling nog een vrijwel gesloten veendek moet hebben gekend. Alhoewel Caesar in 52 v. Chr. (De Bello Gallico V, 33) vermeldt dat de Schelde (Scaldim) in de Maas uitstroomt (mogelijk gebeurde dit via de Striene), mag verondersteld worden dat de Schelde toen reeds tussen Walcheren en Schouwen een uitmonding in de Noordzee had. Deze lag ten noorden van de op Walcheren aangetoonde D I-afzettingen, die konden plaatsvinden als gevolg van directe zeeïnvloed van de daar aanwezige (en vergrote) opening in de kustwal. Voorts geven de reeds in de 17&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw vóór de kust van Domburg en de in 1970, ten noorden van Colijnsplaat, in de Oosterschelde aangetoonde resten van Nehalenniaheiligdommen aan, dat dit gebied een belangrijke schakel vormde in het Romeinse handelsverkeer met Britannië. Daar voor dit handelsverkeer een aanvoerweg met het achterland aanwezig geweest moet zijn, was dit zeer waarschijnlijk de (later aangetoonde) Schelde. Op grond van geologisch, bodemkundig en archeologisch onderzoek wordt voor de Romeinse rijd een vrij intensieve bewoning aangetoond, vooral op Walcheren maar ook in andere gebieden van Zeeland. Het verdwijnen van deze bewoning tegen het einde van de 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw na Chr. zal voornamelijk veroorzaakt zijn door grote doorbraken van de kustwal, zeer waarschijnlijk als gevolg van stormvloeden. Hierdoor kreeg de zee hoe langer hoe meer vat op het achterliggende veendek, dat door menselijke invloeden, zoals ontwatering, veenbranden en akkerbouw, een verlaging van het maaiveld moet hebben gekend. Er ontstonden diepe kreken die tot ver in het achterland reikten. De van ca. 300 tot ca. 700 na Chr. op het veendek en de daartussen liggende kreken aangevoerde Duinkerke II –afzettingen zijn in nagenoeg het gehele Zeeuwse gebied aangetoond, met uitzondering van de duinstreek, de hooggelegen dekzanden in het zuiden van Zeeuws-Vlaanderen en het gebied ten oosten van de dekzandrug die in de ondergrond van Hulst tot in het land van Saeftinghe loopt. Deze rug (die ook noorderlijker doorliep) heeft verhinderd dat de Schelde daar in een vroeg stadium een westelijke richting kon nemen, zodat deze rivier toen langs Bergen op Zoom stroomde. Verder van de zeekust verwijderd zijn de D II-afzettingen geringer geweest. Zowel in Zuid-Beveland als in Oost Zeeuws-Vlaanderen zijn ten oosten van Kruiningen en het gebied van Ossenisse slechts geringe sporen van deze afzettingen gevonden. Dit zou er op kunnen duiden dat daar de zeeïnvloed via de (Ooster-)Schelde gering of niet aanwezig geweest is en de westelijke afstroming van Scheldewater, via de Honte, in een later tijdvak gesteld dient te worden. Mogelijk was de in oostelijke richting stromende Honte, die bij het later vermelde Hontemude (tenover Ossendrecht) in de Schelde uitmondde, toen reeds aanwezig. De in de loop van eeuwen afgezette kleien en zanden verkregen een dusdanige hoogte dat slechts bij bijzondere stormvloeden een beïnvloeding door de zee kon plaatsvinden. Zeer waarschijnlijk door een (gedeeltelijke) sluiting van de kustwal verdween ook deze invloed, zodat het met kreken doorsneden schorrengebied, zonder verdere bescherming van kaden of dijken, bewoond kon worden. Naast de in die periode gevormde Sincfal, het latere Zwin, die in de 9&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw wordt vermeld als grens tussen het Friese en Vlaamse gebied, zal toen ook een aanzet gegeven zijn tot de vorming van de huidige Scheldemonding. De vanaf de 8&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw weer mogelijke bewoning, die door een enkele bron bevestigd wordt, zal tot de 10&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw gering geweest zijn. Vanaf die tijd zijn verscheidene schriftelijke vermeldingen beschikbaar, waardoor op diverse plaatsen in het Zeeuwse bewoning wordt aangetoond. Vanaf ca. 900 na Chr. worden Duinkerke III-afzettingen aangegeven. Daar het gebied bewoond, maar toen (zeer waarschijnlijk) nog niet door kaden of dijken beschermd was, zal deze D III-periode een gevolg zijn geweest van nieuwe doorbraken van de kustwal. Alhoewel de invloed van één bijzondere stormvloed niet onderschat mag worden, zal de inwerking van de (spring-)getijden en stormvloeden, als gevolg van deze doorbraken, zich slechts langzamerhand tot in het achterland hebben voortgezet. In eerste instantie zullen de bewoners zich tegen de invloed van bijzondere stormvloeden hebben beschermd door het opwerkpen van kunstmatige hoogten, vliedbergen. Nadien zal men zich tegen de veelvuldiger beïnvloeding van de zee door kaden of dijken zijn gaan beschermen. De oudst bekende dijknamen zijn dicht bij de Noordzee aangetoond, zoals Isendic in 984 (?) en 1046 en Tubindic in 1025, terwijl de vele vermeldingen van dijknamen in overig Zeeland vrij kort na de stormvloed van 1134 voorkomen. Dit zou kunnen betekenen dat vanaf de 9&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw in eerste instantie heb gebied vlak achter de doorbroken kustwal door de zee beïnvloed werd, met nawerking in het achterland. Latere stormvloeden, zoals die van 1014, 1042 en 1134, hebben vervolgens de directe zeeïnvloed tot in het achterland bewerkstelligd. Verondersteld wordt dat de stormvloed van 1134 in het noordelijk deel van Vlaanderen en in Zeeland ernstige vernielingen heeft aangericht en waarschijnlijk brede geulen deed ontstaan tussen Walcheren en Noord- en Zuid-Beveland, terwijl de Honte (Westerschelde) zodanig verwijdde, dat deze vanaf het eind van de 12&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw als ‘zee’ werd aangeduid. Ook zijn er sterke aanwijzingen voor een uitbreiding van de (Ooster)-Schelde. De afzettingen uit deze periode bestaan in West Zeeuws-Vlaanderen uit opwassen, zoals het ‘eiland van Cadzand’ en het gebied ten noorden van Groede. In Oost Zeeuws-Vlaanderen bestaan deze uit krekenstelsels met daarbij behorende kombergingsafzettingen. Daar de hooggelegen D II-afzettingen ten westen en direct ten oosten van Terneuzen (en gedeeltelijk ook in Zuid-Beveland) in deze periode niet of in geringe mate werden aangetast, zou verondersteld kunnen worden dat de zeeïnvloed op het Oost Zeeuws-Vlaamse deel voornamelijk moet hebben plaatsgevonden via in Zuid-Beveland gelegen geulen en (misschien in mindere mate) via de oostelijk gelegen Schelde. Een van deze in Zuid-Beveland gelegen geulen zal de Zwake geweest zijn. De bovengenoemde, hooggelegen D II-afzettingen vormden mogelijk een soort drempel tussen het westelijk en oostelijk deel van de huidige Westerschelde. Dit zou dan ook kunnen verklaren dat de Honte in oostelijke richting stroomde en daar in de Schelde uitmondde. Dit komt tot uiting in de vermelding van de naam Hontemude in een stuk van 1161, waarin sprake is van een visserij bij de Agger tegenover Ossendrecht. Voorts blijkt dit ook uit de keur van Zeeland van 1290, waarin gesteld wrodt dat Zeeland lag ‘tussen Keadsant en Grevenisse, Hontemude ende die zee’. Rond 1200 zal de Honte derhalve nog niet gefungeerd hebben voor de afvoer van Scheldewater naar de Noordzee. Zeer waarschijnlijk zal er toen wel al, via een krekengebied, verbinding in westelijke richting zijn geweest. De Schelde (Scaldis) stroomde toen nog langs Bergen op Zoom en vervolgde zijn weg in westelijke richting naar de Noordzee. Aan de noordzijde lag de gouw (pagus) Scaldis, die reeds in een oorkonde van 976/7 genoemd wordt. De naam van het in deze gouw gelegen eiland Schouwen is daarvan afgeleid. Zeeland werd van oudsher verdeeld in Bewesten Schelde en Beoosten Schelde. Zoals uit de benamingen valt op te maken fungeerde de (Ooster-)Schelde hier als grens. Daar door de Staten van Zeeland in 1606 verklaard werd en ook Smallegange spreekt van ‘het Faal of d’oude Schelde’, zal de rivierin het verleden gestroomd hebben tussen Noord-Beveland en de ten noorden daarvan gelegen plaat Worighesant (Orisant), waar later het Faal stroomde. Het moet eertijds een smal vaarwater geweest zijn, waar men elkaar kon aanroepen. Ten noorden van Orisant ontwikkelde zich een zijarm van de Schelde, waarvan de stroom zich in hoofdzaak op de zuidelijke oever van Schouwen ging richten. Alhoewel men zich door het leggen van inlagen trachtte te beschermen, kon niet voorkomen worden dat tussen 1400 en 1600 de zuidelijke kust van Schouwen ca. 4 km noordelijker is komen te liggen, waardoor ca. 3000 ha. Grond moest worden prijsgegeven. De Oosterschelde veranderde langzamerhand in een wijde zeearm, o.m. als gevolg van de stormvloeden van 1530 en 1532. Men zou hieruit kunnen concluderen dat de Oosterschelde daardoor als scheepvaartweg in belangrijkheid zou toenemen. De ontwikkeling van de Honte tot uiteindelijke Scheldemonding verhinderde dit, als gevolg van verondiepingen ter plaatse van de splitsing van de Schelde in een Ooster- en Westerschelde.&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;Over de ontwikkeling van de [[Honte]] of Westerschelde als zeearm en uitmonding van de [[Schelde]] in de Noordzee zullen zeer zeker t.a.v. de periode voor 1500, onzekerheden blijven bestaan. Als gevolg van verdergaande onderzoekingen wordt het echter mogelijk een steeds beter beeld van deze ontwikkeling te schetsen. In aanvulling op archiefonderzoek is door het geologisch en bodemkundig onderzoek van de laatste decennia een grotere duidelijkheid over de historisch-geografische ontwikkeling van Zeeland gekomen. De daarbij voor de historische tijd vermelde regressies (verminderde zeeïnvloed door verlaagd zeeniveau) en transgressies (verhevigde zeeïnvloed door verhoogd zeeniveau) dienen, voor een goed begrip, gezien te worden als perioden waarbij de voor onze kust aanwezige strandwal resp. gesloten of doorbroken was. Alhoewel het uiteindelijke effect (afzettingen) gelijk is, zou een transgressieperiode het gebied volledig met water hebben bedekt, terwijl bij een doorbroken kustwal, door de invloeden van (spring-)tijen en stormvloeden, het gebied op onregelmatige tijden kon overstromen. Zo’n gesloten kustwas had op enkele plaatsen openingen waardoor het water van de op het gebied achter deze was uitmondende rivieren naar zee kon worden afgevoerd. Door de in zo’n gebied aanwezige brak- of zoetwateromgeving kon zich hier een veendek gaan ontwikkelen met daarin voorkomende afwateringsgeulen. Wanneer zo’n strand- of kustwal (bijv. ten gevolge van stormvloeden) doorbrak kwam het erachter liggende veengebied onder de directe invloed van het zeewater, waardoor springtij en stormvloeden zich konden doen gelden. Door verzouting van het water stopte de veengroei en door de in het veendek aanwezige afwateringsgeulen kon de zee zijn verdere verwoestende invloed op het gebied uitoefenen. Na verloop van tijd werd het veendek en de tussenliggende geulen bedekt met afzettingen van kleien en zanden. Wanneer de doorbraak in de kustwal zich weer ging vernauwen of sloot, verminderde of verdween de invloed van de (spring-)tijen en stormvloeden. De inmiddels hoog opgeslibde gronden konden daardoor, zonder een verdere bescherming van kaden of dijken, zelfs bewoond worden (zo worden momenteel, bij een open Westerschelde, de hoge gedeelten van het Verdronken land van Saeftinghe nog slechts bij hoge stormvloeden overstroomd). Achter zo’n weer gesloten kustwal ontstond na verloop van tijd weer een brak- of zoetwateromgeving waardoor de veengroei zich opnieuw kon gaan ontwikkelen. Daar Duinkerke I afzettingen (tijdens de zg. transgressieperiode van ca. 500 v. Chr. Tot ca. 200 n. Chr.) slechts op (noord) Walcheren zijn aangetoond, kan met grotere zekerheid worden gesteld dat Zeeland rond het begin van onze jaartelling nog een vrijwel gesloten veendek moet hebben gekend. Alhoewel Caesar in 52 v. Chr. (De Bello Gallico V, 33) vermeldt dat de Schelde (Scaldim) in de Maas uitstroomt (mogelijk gebeurde dit via de Striene), mag verondersteld worden dat de Schelde toen reeds tussen Walcheren en Schouwen een uitmonding in de Noordzee had. Deze lag ten noorden van de op Walcheren aangetoonde D I-afzettingen, die konden plaatsvinden als gevolg van directe zeeïnvloed van de daar aanwezige (en vergrote) opening in de kustwal. Voorts geven de reeds in de 17&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw vóór de kust van Domburg en de in 1970, ten noorden van Colijnsplaat, in de Oosterschelde aangetoonde resten van Nehalenniaheiligdommen aan, dat dit gebied een belangrijke schakel vormde in het Romeinse handelsverkeer met Britannië. Daar voor dit handelsverkeer een aanvoerweg met het achterland aanwezig geweest moet zijn, was dit zeer waarschijnlijk de (later aangetoonde) Schelde. Op grond van geologisch, bodemkundig en archeologisch onderzoek wordt voor de Romeinse rijd een vrij intensieve bewoning aangetoond, vooral op Walcheren maar ook in andere gebieden van Zeeland. Het verdwijnen van deze bewoning tegen het einde van de 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw na Chr. zal voornamelijk veroorzaakt zijn door grote doorbraken van de kustwal, zeer waarschijnlijk als gevolg van stormvloeden. Hierdoor kreeg de zee hoe langer hoe meer vat op het achterliggende veendek, dat door menselijke invloeden, zoals ontwatering, veenbranden en akkerbouw, een verlaging van het maaiveld moet hebben gekend. Er ontstonden diepe kreken die tot ver in het achterland reikten. De van ca. 300 tot ca. 700 na Chr. op het veendek en de daartussen liggende kreken aangevoerde Duinkerke II –afzettingen zijn in nagenoeg het gehele Zeeuwse gebied aangetoond, met uitzondering van de duinstreek, de hooggelegen dekzanden in het zuiden van Zeeuws-Vlaanderen en het gebied ten oosten van de dekzandrug die in de ondergrond van Hulst tot in het land van Saeftinghe loopt. Deze rug (die ook noorderlijker doorliep) heeft verhinderd dat de Schelde daar in een vroeg stadium een westelijke richting kon nemen, zodat deze rivier toen langs Bergen op Zoom stroomde. Verder van de zeekust verwijderd zijn de D II-afzettingen geringer geweest. Zowel in Zuid-Beveland als in Oost Zeeuws-Vlaanderen zijn ten oosten van Kruiningen en het gebied van Ossenisse slechts geringe sporen van deze afzettingen gevonden. Dit zou er op kunnen duiden dat daar de zeeïnvloed via de (Ooster-)Schelde gering of niet aanwezig geweest is en de westelijke afstroming van Scheldewater, via de Honte, in een later tijdvak gesteld dient te worden. Mogelijk was de in oostelijke richting stromende Honte, die bij het later vermelde Hontemude (tenover Ossendrecht) in de Schelde uitmondde, toen reeds aanwezig. De in de loop van eeuwen afgezette kleien en zanden verkregen een dusdanige hoogte dat slechts bij bijzondere stormvloeden een beïnvloeding door de zee kon plaatsvinden. Zeer waarschijnlijk door een (gedeeltelijke) sluiting van de kustwal verdween ook deze invloed, zodat het met kreken doorsneden schorrengebied, zonder verdere bescherming van kaden of dijken, bewoond kon worden. Naast de in die periode gevormde Sincfal, het latere Zwin, die in de 9&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw wordt vermeld als grens tussen het Friese en Vlaamse gebied, zal toen ook een aanzet gegeven zijn tot de vorming van de huidige Scheldemonding. De vanaf de 8&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw weer mogelijke bewoning, die door een enkele bron bevestigd wordt, zal tot de 10&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw gering geweest zijn. Vanaf die tijd zijn verscheidene schriftelijke vermeldingen beschikbaar, waardoor op diverse plaatsen in het Zeeuwse bewoning wordt aangetoond. Vanaf ca. 900 na Chr. worden Duinkerke III-afzettingen aangegeven. Daar het gebied bewoond, maar toen (zeer waarschijnlijk) nog niet door kaden of dijken beschermd was, zal deze D III-periode een gevolg zijn geweest van nieuwe doorbraken van de kustwal. Alhoewel de invloed van één bijzondere stormvloed niet onderschat mag worden, zal de inwerking van de (spring-)getijden en stormvloeden, als gevolg van deze doorbraken, zich slechts langzamerhand tot in het achterland hebben voortgezet. In eerste instantie zullen de bewoners zich tegen de invloed van bijzondere stormvloeden hebben beschermd door het opwerkpen van kunstmatige hoogten, vliedbergen. Nadien zal men zich tegen de veelvuldiger beïnvloeding van de zee door kaden of dijken zijn gaan beschermen. De oudst bekende dijknamen zijn dicht bij de Noordzee aangetoond, zoals Isendic in 984 (?) en 1046 en Tubindic in 1025, terwijl de vele vermeldingen van dijknamen in overig Zeeland vrij kort na de stormvloed van 1134 voorkomen. Dit zou kunnen betekenen dat vanaf de 9&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw in eerste instantie heb gebied vlak achter de doorbroken kustwal door de zee beïnvloed werd, met nawerking in het achterland. Latere stormvloeden, zoals die van 1014, 1042 en 1134, hebben vervolgens de directe zeeïnvloed tot in het achterland bewerkstelligd. Verondersteld wordt dat de stormvloed van 1134 in het noordelijk deel van Vlaanderen en in Zeeland ernstige vernielingen heeft aangericht en waarschijnlijk brede geulen deed ontstaan tussen Walcheren en Noord- en Zuid-Beveland, terwijl de Honte (Westerschelde) zodanig verwijdde, dat deze vanaf het eind van de 12&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw als ‘zee’ werd aangeduid. Ook zijn er sterke aanwijzingen voor een uitbreiding van de (Ooster)-Schelde. De afzettingen uit deze periode bestaan in West Zeeuws-Vlaanderen uit opwassen, zoals het ‘eiland van Cadzand’ en het gebied ten noorden van Groede. In Oost Zeeuws-Vlaanderen bestaan deze uit krekenstelsels met daarbij behorende kombergingsafzettingen. Daar de hooggelegen D II-afzettingen ten westen en direct ten oosten van Terneuzen (en gedeeltelijk ook in Zuid-Beveland) in deze periode niet of in geringe mate werden aangetast, zou verondersteld kunnen worden dat de zeeïnvloed op het Oost Zeeuws-Vlaamse deel voornamelijk moet hebben plaatsgevonden via in Zuid-Beveland gelegen geulen en (misschien in mindere mate) via de oostelijk gelegen Schelde. Een van deze in Zuid-Beveland gelegen geulen zal de Zwake geweest zijn. De bovengenoemde, hooggelegen D II-afzettingen vormden mogelijk een soort drempel tussen het westelijk en oostelijk deel van de huidige Westerschelde. Dit zou dan ook kunnen verklaren dat de Honte in oostelijke richting stroomde en daar in de Schelde uitmondde. Dit komt tot uiting in de vermelding van de naam Hontemude in een stuk van 1161, waarin sprake is van een visserij bij de Agger tegenover Ossendrecht. Voorts blijkt dit ook uit de keur van Zeeland van 1290, waarin gesteld wrodt dat Zeeland lag ‘tussen Keadsant en Grevenisse, Hontemude ende die zee’. Rond 1200 zal de Honte derhalve nog niet gefungeerd hebben voor de afvoer van Scheldewater naar de Noordzee. Zeer waarschijnlijk zal er toen wel al, via een krekengebied, verbinding in westelijke richting zijn geweest. De Schelde (Scaldis) stroomde toen nog langs Bergen op Zoom en vervolgde zijn weg in westelijke richting naar de Noordzee. Aan de noordzijde lag de gouw (pagus) Scaldis, die reeds in een oorkonde van 976/7 genoemd wordt. De naam van het in deze gouw gelegen eiland Schouwen is daarvan afgeleid. Zeeland werd van oudsher verdeeld in Bewesten Schelde en Beoosten Schelde. Zoals uit de benamingen valt op te maken fungeerde de (Ooster-)Schelde hier als grens. Daar door de Staten van Zeeland in 1606 verklaard werd en ook Smallegange spreekt van ‘het Faal of d’oude Schelde’, zal de rivierin het verleden gestroomd hebben tussen Noord-Beveland en de ten noorden daarvan gelegen plaat Worighesant (Orisant), waar later het Faal stroomde. Het moet eertijds een smal vaarwater geweest zijn, waar men elkaar kon aanroepen. Ten noorden van Orisant ontwikkelde zich een zijarm van de Schelde, waarvan de stroom zich in hoofdzaak op de zuidelijke oever van Schouwen ging richten. Alhoewel men zich door het leggen van inlagen trachtte te beschermen, kon niet voorkomen worden dat tussen 1400 en 1600 de zuidelijke kust van Schouwen ca. 4 km noordelijker is komen te liggen, waardoor ca. 3000 ha. Grond moest worden prijsgegeven. De Oosterschelde veranderde langzamerhand in een wijde zeearm, o.m. als gevolg van de stormvloeden van 1530 en 1532. Men zou hieruit kunnen concluderen dat de Oosterschelde daardoor als scheepvaartweg in belangrijkheid zou toenemen. De ontwikkeling van de Honte tot uiteindelijke Scheldemonding verhinderde dit, als gevolg van verondiepingen ter plaatse van de splitsing van de Schelde in een Ooster- en Westerschelde.&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;/table&gt;</summary>
		<author><name>W. van Gorsel</name></author>
	</entry>
	<entry>
		<id>https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118892&amp;oldid=prev</id>
		<title>W. van Gorsel op 15 jul 2025 om 09:16</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.encyclopedievanzeeland.nl/index.php?title=Westerschelde&amp;diff=118892&amp;oldid=prev"/>
		<updated>2025-07-15T09:16:26Z</updated>

		<summary type="html">&lt;p&gt;&lt;/p&gt;
&lt;table style=&quot;background-color: #fff; color: #202122;&quot; data-mw=&quot;interface&quot;&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-marker&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-content&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-marker&quot; /&gt;
				&lt;col class=&quot;diff-content&quot; /&gt;
				&lt;tr class=&quot;diff-title&quot; lang=&quot;nl&quot;&gt;
				&lt;td colspan=&quot;2&quot; style=&quot;background-color: #fff; color: #202122; text-align: center;&quot;&gt;← Oudere versie&lt;/td&gt;
				&lt;td colspan=&quot;2&quot; style=&quot;background-color: #fff; color: #202122; text-align: center;&quot;&gt;Versie van 15 jul 2025 09:16&lt;/td&gt;
				&lt;/tr&gt;&lt;tr&gt;&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-lineno&quot; id=&quot;mw-diff-left-l8&quot;&gt;Regel 8:&lt;/td&gt;
&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-lineno&quot;&gt;Regel 8:&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;==Historische geografie en geschiedenis==&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;==Historische geografie en geschiedenis==&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-side-deleted&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot; data-marker=&quot;+&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #a3d3ff; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;&lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;[[Bestand:Westerschelde1.jpg|thumb|right|300px|Zonsondergang boven de Westerschelde, gezien vanaf de Scheldeboulevard bij restaurant Westbeer. Foto: S. Jasperse, juni 2020. Bron: ZB/Beeldbank Zeeland, rec.nr. 180578]]&lt;/ins&gt;&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td colspan=&quot;2&quot; class=&quot;diff-side-deleted&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot; data-marker=&quot;+&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #a3d3ff; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;&lt;ins style=&quot;font-weight: bold; text-decoration: none;&quot;&gt;&lt;/ins&gt;&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;Over de ontwikkeling van de [[Honte]] of Westerschelde als zeearm en uitmonding van de [[Schelde]] in de Noordzee zullen zeer zeker t.a.v. de periode voor 1500, onzekerheden blijven bestaan. Als gevolg van verdergaande onderzoekingen wordt het echter mogelijk een steeds beter beeld van deze ontwikkeling te schetsen. In aanvulling op archiefonderzoek is door het geologisch en bodemkundig onderzoek van de laatste decennia een grotere duidelijkheid over de historisch-geografische ontwikkeling van Zeeland gekomen. De daarbij voor de historische tijd vermelde regressies (verminderde zeeïnvloed door verlaagd zeeniveau) en transgressies (verhevigde zeeïnvloed door verhoogd zeeniveau) dienen, voor een goed begrip, gezien te worden als perioden waarbij de voor onze kust aanwezige strandwal resp. gesloten of doorbroken was. Alhoewel het uiteindelijke effect (afzettingen) gelijk is, zou een transgressieperiode het gebied volledig met water hebben bedekt, terwijl bij een doorbroken kustwal, door de invloeden van (spring-)tijen en stormvloeden, het gebied op onregelmatige tijden kon overstromen. Zo’n gesloten kustwas had op enkele plaatsen openingen waardoor het water van de op het gebied achter deze was uitmondende rivieren naar zee kon worden afgevoerd. Door de in zo’n gebied aanwezige brak- of zoetwateromgeving kon zich hier een veendek gaan ontwikkelen met daarin voorkomende afwateringsgeulen. Wanneer zo’n strand- of kustwal (bijv. ten gevolge van stormvloeden) doorbrak kwam het erachter liggende veengebied onder de directe invloed van het zeewater, waardoor springtij en stormvloeden zich konden doen gelden. Door verzouting van het water stopte de veengroei en door de in het veendek aanwezige afwateringsgeulen kon de zee zijn verdere verwoestende invloed op het gebied uitoefenen. Na verloop van tijd werd het veendek en de tussenliggende geulen bedekt met afzettingen van kleien en zanden. Wanneer de doorbraak in de kustwal zich weer ging vernauwen of sloot, verminderde of verdween de invloed van de (spring-)tijen en stormvloeden. De inmiddels hoog opgeslibde gronden konden daardoor, zonder een verdere bescherming van kaden of dijken, zelfs bewoond worden (zo worden momenteel, bij een open Westerschelde, de hoge gedeelten van het Verdronken land van Saeftinghe nog slechts bij hoge stormvloeden overstroomd). Achter zo’n weer gesloten kustwal ontstond na verloop van tijd weer een brak- of zoetwateromgeving waardoor de veengroei zich opnieuw kon gaan ontwikkelen. Daar Duinkerke I afzettingen (tijdens de zg. transgressieperiode van ca. 500 v. Chr. Tot ca. 200 n. Chr.) slechts op (noord) Walcheren zijn aangetoond, kan met grotere zekerheid worden gesteld dat Zeeland rond het begin van onze jaartelling nog een vrijwel gesloten veendek moet hebben gekend. Alhoewel Caesar in 52 v. Chr. (De Bello Gallico V, 33) vermeldt dat de Schelde (Scaldim) in de Maas uitstroomt (mogelijk gebeurde dit via de Striene), mag verondersteld worden dat de Schelde toen reeds tussen Walcheren en Schouwen een uitmonding in de Noordzee had. Deze lag ten noorden van de op Walcheren aangetoonde D I-afzettingen, die konden plaatsvinden als gevolg van directe zeeïnvloed van de daar aanwezige (en vergrote) opening in de kustwal. Voorts geven de reeds in de 17&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw vóór de kust van Domburg en de in 1970, ten noorden van Colijnsplaat, in de Oosterschelde aangetoonde resten van Nehalenniaheiligdommen aan, dat dit gebied een belangrijke schakel vormde in het Romeinse handelsverkeer met Britannië. Daar voor dit handelsverkeer een aanvoerweg met het achterland aanwezig geweest moet zijn, was dit zeer waarschijnlijk de (later aangetoonde) Schelde. Op grond van geologisch, bodemkundig en archeologisch onderzoek wordt voor de Romeinse rijd een vrij intensieve bewoning aangetoond, vooral op Walcheren maar ook in andere gebieden van Zeeland. Het verdwijnen van deze bewoning tegen het einde van de 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw na Chr. zal voornamelijk veroorzaakt zijn door grote doorbraken van de kustwal, zeer waarschijnlijk als gevolg van stormvloeden. Hierdoor kreeg de zee hoe langer hoe meer vat op het achterliggende veendek, dat door menselijke invloeden, zoals ontwatering, veenbranden en akkerbouw, een verlaging van het maaiveld moet hebben gekend. Er ontstonden diepe kreken die tot ver in het achterland reikten. De van ca. 300 tot ca. 700 na Chr. op het veendek en de daartussen liggende kreken aangevoerde Duinkerke II –afzettingen zijn in nagenoeg het gehele Zeeuwse gebied aangetoond, met uitzondering van de duinstreek, de hooggelegen dekzanden in het zuiden van Zeeuws-Vlaanderen en het gebied ten oosten van de dekzandrug die in de ondergrond van Hulst tot in het land van Saeftinghe loopt. Deze rug (die ook noorderlijker doorliep) heeft verhinderd dat de Schelde daar in een vroeg stadium een westelijke richting kon nemen, zodat deze rivier toen langs Bergen op Zoom stroomde. Verder van de zeekust verwijderd zijn de D II-afzettingen geringer geweest. Zowel in Zuid-Beveland als in Oost Zeeuws-Vlaanderen zijn ten oosten van Kruiningen en het gebied van Ossenisse slechts geringe sporen van deze afzettingen gevonden. Dit zou er op kunnen duiden dat daar de zeeïnvloed via de (Ooster-)Schelde gering of niet aanwezig geweest is en de westelijke afstroming van Scheldewater, via de Honte, in een later tijdvak gesteld dient te worden. Mogelijk was de in oostelijke richting stromende Honte, die bij het later vermelde Hontemude (tenover Ossendrecht) in de Schelde uitmondde, toen reeds aanwezig. De in de loop van eeuwen afgezette kleien en zanden verkregen een dusdanige hoogte dat slechts bij bijzondere stormvloeden een beïnvloeding door de zee kon plaatsvinden. Zeer waarschijnlijk door een (gedeeltelijke) sluiting van de kustwal verdween ook deze invloed, zodat het met kreken doorsneden schorrengebied, zonder verdere bescherming van kaden of dijken, bewoond kon worden. Naast de in die periode gevormde Sincfal, het latere Zwin, die in de 9&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw wordt vermeld als grens tussen het Friese en Vlaamse gebied, zal toen ook een aanzet gegeven zijn tot de vorming van de huidige Scheldemonding. De vanaf de 8&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw weer mogelijke bewoning, die door een enkele bron bevestigd wordt, zal tot de 10&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw gering geweest zijn. Vanaf die tijd zijn verscheidene schriftelijke vermeldingen beschikbaar, waardoor op diverse plaatsen in het Zeeuwse bewoning wordt aangetoond. Vanaf ca. 900 na Chr. worden Duinkerke III-afzettingen aangegeven. Daar het gebied bewoond, maar toen (zeer waarschijnlijk) nog niet door kaden of dijken beschermd was, zal deze D III-periode een gevolg zijn geweest van nieuwe doorbraken van de kustwal. Alhoewel de invloed van één bijzondere stormvloed niet onderschat mag worden, zal de inwerking van de (spring-)getijden en stormvloeden, als gevolg van deze doorbraken, zich slechts langzamerhand tot in het achterland hebben voortgezet. In eerste instantie zullen de bewoners zich tegen de invloed van bijzondere stormvloeden hebben beschermd door het opwerkpen van kunstmatige hoogten, vliedbergen. Nadien zal men zich tegen de veelvuldiger beïnvloeding van de zee door kaden of dijken zijn gaan beschermen. De oudst bekende dijknamen zijn dicht bij de Noordzee aangetoond, zoals Isendic in 984 (?) en 1046 en Tubindic in 1025, terwijl de vele vermeldingen van dijknamen in overig Zeeland vrij kort na de stormvloed van 1134 voorkomen. Dit zou kunnen betekenen dat vanaf de 9&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw in eerste instantie heb gebied vlak achter de doorbroken kustwal door de zee beïnvloed werd, met nawerking in het achterland. Latere stormvloeden, zoals die van 1014, 1042 en 1134, hebben vervolgens de directe zeeïnvloed tot in het achterland bewerkstelligd. Verondersteld wordt dat de stormvloed van 1134 in het noordelijk deel van Vlaanderen en in Zeeland ernstige vernielingen heeft aangericht en waarschijnlijk brede geulen deed ontstaan tussen Walcheren en Noord- en Zuid-Beveland, terwijl de Honte (Westerschelde) zodanig verwijdde, dat deze vanaf het eind van de 12&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw als ‘zee’ werd aangeduid. Ook zijn er sterke aanwijzingen voor een uitbreiding van de (Ooster)-Schelde. De afzettingen uit deze periode bestaan in West Zeeuws-Vlaanderen uit opwassen, zoals het ‘eiland van Cadzand’ en het gebied ten noorden van Groede. In Oost Zeeuws-Vlaanderen bestaan deze uit krekenstelsels met daarbij behorende kombergingsafzettingen. Daar de hooggelegen D II-afzettingen ten westen en direct ten oosten van Terneuzen (en gedeeltelijk ook in Zuid-Beveland) in deze periode niet of in geringe mate werden aangetast, zou verondersteld kunnen worden dat de zeeïnvloed op het Oost Zeeuws-Vlaamse deel voornamelijk moet hebben plaatsgevonden via in Zuid-Beveland gelegen geulen en (misschien in mindere mate) via de oostelijk gelegen Schelde. Een van deze in Zuid-Beveland gelegen geulen zal de Zwake geweest zijn. De bovengenoemde, hooggelegen D II-afzettingen vormden mogelijk een soort drempel tussen het westelijk en oostelijk deel van de huidige Westerschelde. Dit zou dan ook kunnen verklaren dat de Honte in oostelijke richting stroomde en daar in de Schelde uitmondde. Dit komt tot uiting in de vermelding van de naam Hontemude in een stuk van 1161, waarin sprake is van een visserij bij de Agger tegenover Ossendrecht. Voorts blijkt dit ook uit de keur van Zeeland van 1290, waarin gesteld wrodt dat Zeeland lag ‘tussen Keadsant en Grevenisse, Hontemude ende die zee’. Rond 1200 zal de Honte derhalve nog niet gefungeerd hebben voor de afvoer van Scheldewater naar de Noordzee. Zeer waarschijnlijk zal er toen wel al, via een krekengebied, verbinding in westelijke richting zijn geweest. De Schelde (Scaldis) stroomde toen nog langs Bergen op Zoom en vervolgde zijn weg in westelijke richting naar de Noordzee. Aan de noordzijde lag de gouw (pagus) Scaldis, die reeds in een oorkonde van 976/7 genoemd wordt. De naam van het in deze gouw gelegen eiland Schouwen is daarvan afgeleid. Zeeland werd van oudsher verdeeld in Bewesten Schelde en Beoosten Schelde. Zoals uit de benamingen valt op te maken fungeerde de (Ooster-)Schelde hier als grens. Daar door de Staten van Zeeland in 1606 verklaard werd en ook Smallegange spreekt van ‘het Faal of d’oude Schelde’, zal de rivierin het verleden gestroomd hebben tussen Noord-Beveland en de ten noorden daarvan gelegen plaat Worighesant (Orisant), waar later het Faal stroomde. Het moet eertijds een smal vaarwater geweest zijn, waar men elkaar kon aanroepen. Ten noorden van Orisant ontwikkelde zich een zijarm van de Schelde, waarvan de stroom zich in hoofdzaak op de zuidelijke oever van Schouwen ging richten. Alhoewel men zich door het leggen van inlagen trachtte te beschermen, kon niet voorkomen worden dat tussen 1400 en 1600 de zuidelijke kust van Schouwen ca. 4 km noordelijker is komen te liggen, waardoor ca. 3000 ha. Grond moest worden prijsgegeven. De Oosterschelde veranderde langzamerhand in een wijde zeearm, o.m. als gevolg van de stormvloeden van 1530 en 1532. Men zou hieruit kunnen concluderen dat de Oosterschelde daardoor als scheepvaartweg in belangrijkheid zou toenemen. De ontwikkeling van de Honte tot uiteindelijke Scheldemonding verhinderde dit, als gevolg van verondiepingen ter plaatse van de splitsing van de Schelde in een Ooster- en Westerschelde.&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;div&gt;Over de ontwikkeling van de [[Honte]] of Westerschelde als zeearm en uitmonding van de [[Schelde]] in de Noordzee zullen zeer zeker t.a.v. de periode voor 1500, onzekerheden blijven bestaan. Als gevolg van verdergaande onderzoekingen wordt het echter mogelijk een steeds beter beeld van deze ontwikkeling te schetsen. In aanvulling op archiefonderzoek is door het geologisch en bodemkundig onderzoek van de laatste decennia een grotere duidelijkheid over de historisch-geografische ontwikkeling van Zeeland gekomen. De daarbij voor de historische tijd vermelde regressies (verminderde zeeïnvloed door verlaagd zeeniveau) en transgressies (verhevigde zeeïnvloed door verhoogd zeeniveau) dienen, voor een goed begrip, gezien te worden als perioden waarbij de voor onze kust aanwezige strandwal resp. gesloten of doorbroken was. Alhoewel het uiteindelijke effect (afzettingen) gelijk is, zou een transgressieperiode het gebied volledig met water hebben bedekt, terwijl bij een doorbroken kustwal, door de invloeden van (spring-)tijen en stormvloeden, het gebied op onregelmatige tijden kon overstromen. Zo’n gesloten kustwas had op enkele plaatsen openingen waardoor het water van de op het gebied achter deze was uitmondende rivieren naar zee kon worden afgevoerd. Door de in zo’n gebied aanwezige brak- of zoetwateromgeving kon zich hier een veendek gaan ontwikkelen met daarin voorkomende afwateringsgeulen. Wanneer zo’n strand- of kustwal (bijv. ten gevolge van stormvloeden) doorbrak kwam het erachter liggende veengebied onder de directe invloed van het zeewater, waardoor springtij en stormvloeden zich konden doen gelden. Door verzouting van het water stopte de veengroei en door de in het veendek aanwezige afwateringsgeulen kon de zee zijn verdere verwoestende invloed op het gebied uitoefenen. Na verloop van tijd werd het veendek en de tussenliggende geulen bedekt met afzettingen van kleien en zanden. Wanneer de doorbraak in de kustwal zich weer ging vernauwen of sloot, verminderde of verdween de invloed van de (spring-)tijen en stormvloeden. De inmiddels hoog opgeslibde gronden konden daardoor, zonder een verdere bescherming van kaden of dijken, zelfs bewoond worden (zo worden momenteel, bij een open Westerschelde, de hoge gedeelten van het Verdronken land van Saeftinghe nog slechts bij hoge stormvloeden overstroomd). Achter zo’n weer gesloten kustwal ontstond na verloop van tijd weer een brak- of zoetwateromgeving waardoor de veengroei zich opnieuw kon gaan ontwikkelen. Daar Duinkerke I afzettingen (tijdens de zg. transgressieperiode van ca. 500 v. Chr. Tot ca. 200 n. Chr.) slechts op (noord) Walcheren zijn aangetoond, kan met grotere zekerheid worden gesteld dat Zeeland rond het begin van onze jaartelling nog een vrijwel gesloten veendek moet hebben gekend. Alhoewel Caesar in 52 v. Chr. (De Bello Gallico V, 33) vermeldt dat de Schelde (Scaldim) in de Maas uitstroomt (mogelijk gebeurde dit via de Striene), mag verondersteld worden dat de Schelde toen reeds tussen Walcheren en Schouwen een uitmonding in de Noordzee had. Deze lag ten noorden van de op Walcheren aangetoonde D I-afzettingen, die konden plaatsvinden als gevolg van directe zeeïnvloed van de daar aanwezige (en vergrote) opening in de kustwal. Voorts geven de reeds in de 17&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw vóór de kust van Domburg en de in 1970, ten noorden van Colijnsplaat, in de Oosterschelde aangetoonde resten van Nehalenniaheiligdommen aan, dat dit gebied een belangrijke schakel vormde in het Romeinse handelsverkeer met Britannië. Daar voor dit handelsverkeer een aanvoerweg met het achterland aanwezig geweest moet zijn, was dit zeer waarschijnlijk de (later aangetoonde) Schelde. Op grond van geologisch, bodemkundig en archeologisch onderzoek wordt voor de Romeinse rijd een vrij intensieve bewoning aangetoond, vooral op Walcheren maar ook in andere gebieden van Zeeland. Het verdwijnen van deze bewoning tegen het einde van de 3&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw na Chr. zal voornamelijk veroorzaakt zijn door grote doorbraken van de kustwal, zeer waarschijnlijk als gevolg van stormvloeden. Hierdoor kreeg de zee hoe langer hoe meer vat op het achterliggende veendek, dat door menselijke invloeden, zoals ontwatering, veenbranden en akkerbouw, een verlaging van het maaiveld moet hebben gekend. Er ontstonden diepe kreken die tot ver in het achterland reikten. De van ca. 300 tot ca. 700 na Chr. op het veendek en de daartussen liggende kreken aangevoerde Duinkerke II –afzettingen zijn in nagenoeg het gehele Zeeuwse gebied aangetoond, met uitzondering van de duinstreek, de hooggelegen dekzanden in het zuiden van Zeeuws-Vlaanderen en het gebied ten oosten van de dekzandrug die in de ondergrond van Hulst tot in het land van Saeftinghe loopt. Deze rug (die ook noorderlijker doorliep) heeft verhinderd dat de Schelde daar in een vroeg stadium een westelijke richting kon nemen, zodat deze rivier toen langs Bergen op Zoom stroomde. Verder van de zeekust verwijderd zijn de D II-afzettingen geringer geweest. Zowel in Zuid-Beveland als in Oost Zeeuws-Vlaanderen zijn ten oosten van Kruiningen en het gebied van Ossenisse slechts geringe sporen van deze afzettingen gevonden. Dit zou er op kunnen duiden dat daar de zeeïnvloed via de (Ooster-)Schelde gering of niet aanwezig geweest is en de westelijke afstroming van Scheldewater, via de Honte, in een later tijdvak gesteld dient te worden. Mogelijk was de in oostelijke richting stromende Honte, die bij het later vermelde Hontemude (tenover Ossendrecht) in de Schelde uitmondde, toen reeds aanwezig. De in de loop van eeuwen afgezette kleien en zanden verkregen een dusdanige hoogte dat slechts bij bijzondere stormvloeden een beïnvloeding door de zee kon plaatsvinden. Zeer waarschijnlijk door een (gedeeltelijke) sluiting van de kustwal verdween ook deze invloed, zodat het met kreken doorsneden schorrengebied, zonder verdere bescherming van kaden of dijken, bewoond kon worden. Naast de in die periode gevormde Sincfal, het latere Zwin, die in de 9&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw wordt vermeld als grens tussen het Friese en Vlaamse gebied, zal toen ook een aanzet gegeven zijn tot de vorming van de huidige Scheldemonding. De vanaf de 8&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw weer mogelijke bewoning, die door een enkele bron bevestigd wordt, zal tot de 10&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw gering geweest zijn. Vanaf die tijd zijn verscheidene schriftelijke vermeldingen beschikbaar, waardoor op diverse plaatsen in het Zeeuwse bewoning wordt aangetoond. Vanaf ca. 900 na Chr. worden Duinkerke III-afzettingen aangegeven. Daar het gebied bewoond, maar toen (zeer waarschijnlijk) nog niet door kaden of dijken beschermd was, zal deze D III-periode een gevolg zijn geweest van nieuwe doorbraken van de kustwal. Alhoewel de invloed van één bijzondere stormvloed niet onderschat mag worden, zal de inwerking van de (spring-)getijden en stormvloeden, als gevolg van deze doorbraken, zich slechts langzamerhand tot in het achterland hebben voortgezet. In eerste instantie zullen de bewoners zich tegen de invloed van bijzondere stormvloeden hebben beschermd door het opwerkpen van kunstmatige hoogten, vliedbergen. Nadien zal men zich tegen de veelvuldiger beïnvloeding van de zee door kaden of dijken zijn gaan beschermen. De oudst bekende dijknamen zijn dicht bij de Noordzee aangetoond, zoals Isendic in 984 (?) en 1046 en Tubindic in 1025, terwijl de vele vermeldingen van dijknamen in overig Zeeland vrij kort na de stormvloed van 1134 voorkomen. Dit zou kunnen betekenen dat vanaf de 9&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw in eerste instantie heb gebied vlak achter de doorbroken kustwal door de zee beïnvloed werd, met nawerking in het achterland. Latere stormvloeden, zoals die van 1014, 1042 en 1134, hebben vervolgens de directe zeeïnvloed tot in het achterland bewerkstelligd. Verondersteld wordt dat de stormvloed van 1134 in het noordelijk deel van Vlaanderen en in Zeeland ernstige vernielingen heeft aangericht en waarschijnlijk brede geulen deed ontstaan tussen Walcheren en Noord- en Zuid-Beveland, terwijl de Honte (Westerschelde) zodanig verwijdde, dat deze vanaf het eind van de 12&amp;lt;sup&amp;gt;e&amp;lt;/sup&amp;gt; eeuw als ‘zee’ werd aangeduid. Ook zijn er sterke aanwijzingen voor een uitbreiding van de (Ooster)-Schelde. De afzettingen uit deze periode bestaan in West Zeeuws-Vlaanderen uit opwassen, zoals het ‘eiland van Cadzand’ en het gebied ten noorden van Groede. In Oost Zeeuws-Vlaanderen bestaan deze uit krekenstelsels met daarbij behorende kombergingsafzettingen. Daar de hooggelegen D II-afzettingen ten westen en direct ten oosten van Terneuzen (en gedeeltelijk ook in Zuid-Beveland) in deze periode niet of in geringe mate werden aangetast, zou verondersteld kunnen worden dat de zeeïnvloed op het Oost Zeeuws-Vlaamse deel voornamelijk moet hebben plaatsgevonden via in Zuid-Beveland gelegen geulen en (misschien in mindere mate) via de oostelijk gelegen Schelde. Een van deze in Zuid-Beveland gelegen geulen zal de Zwake geweest zijn. De bovengenoemde, hooggelegen D II-afzettingen vormden mogelijk een soort drempel tussen het westelijk en oostelijk deel van de huidige Westerschelde. Dit zou dan ook kunnen verklaren dat de Honte in oostelijke richting stroomde en daar in de Schelde uitmondde. Dit komt tot uiting in de vermelding van de naam Hontemude in een stuk van 1161, waarin sprake is van een visserij bij de Agger tegenover Ossendrecht. Voorts blijkt dit ook uit de keur van Zeeland van 1290, waarin gesteld wrodt dat Zeeland lag ‘tussen Keadsant en Grevenisse, Hontemude ende die zee’. Rond 1200 zal de Honte derhalve nog niet gefungeerd hebben voor de afvoer van Scheldewater naar de Noordzee. Zeer waarschijnlijk zal er toen wel al, via een krekengebied, verbinding in westelijke richting zijn geweest. De Schelde (Scaldis) stroomde toen nog langs Bergen op Zoom en vervolgde zijn weg in westelijke richting naar de Noordzee. Aan de noordzijde lag de gouw (pagus) Scaldis, die reeds in een oorkonde van 976/7 genoemd wordt. De naam van het in deze gouw gelegen eiland Schouwen is daarvan afgeleid. Zeeland werd van oudsher verdeeld in Bewesten Schelde en Beoosten Schelde. Zoals uit de benamingen valt op te maken fungeerde de (Ooster-)Schelde hier als grens. Daar door de Staten van Zeeland in 1606 verklaard werd en ook Smallegange spreekt van ‘het Faal of d’oude Schelde’, zal de rivierin het verleden gestroomd hebben tussen Noord-Beveland en de ten noorden daarvan gelegen plaat Worighesant (Orisant), waar later het Faal stroomde. Het moet eertijds een smal vaarwater geweest zijn, waar men elkaar kon aanroepen. Ten noorden van Orisant ontwikkelde zich een zijarm van de Schelde, waarvan de stroom zich in hoofdzaak op de zuidelijke oever van Schouwen ging richten. Alhoewel men zich door het leggen van inlagen trachtte te beschermen, kon niet voorkomen worden dat tussen 1400 en 1600 de zuidelijke kust van Schouwen ca. 4 km noordelijker is komen te liggen, waardoor ca. 3000 ha. Grond moest worden prijsgegeven. De Oosterschelde veranderde langzamerhand in een wijde zeearm, o.m. als gevolg van de stormvloeden van 1530 en 1532. Men zou hieruit kunnen concluderen dat de Oosterschelde daardoor als scheepvaartweg in belangrijkheid zou toenemen. De ontwikkeling van de Honte tot uiteindelijke Scheldemonding verhinderde dit, als gevolg van verondiepingen ter plaatse van de splitsing van de Schelde in een Ooster- en Westerschelde.&lt;/div&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;tr&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;td class=&quot;diff-marker&quot;&gt;&lt;/td&gt;&lt;td style=&quot;background-color: #f8f9fa; color: #202122; font-size: 88%; border-style: solid; border-width: 1px 1px 1px 4px; border-radius: 0.33em; border-color: #eaecf0; vertical-align: top; white-space: pre-wrap;&quot;&gt;&lt;br&gt;&lt;/td&gt;&lt;/tr&gt;
&lt;/table&gt;</summary>
		<author><name>W. van Gorsel</name></author>
	</entry>
</feed>